Verhaal

“Sammy - The Donkey Serenade” stort neer in Fleringen

Auteur: 
Hoofdstuk uit: Ze kwamen bij dag en bij nacht door Martin Klaassen; uitgave heemkunde Albergen (met toestemming van beide partijen)

Buiten op het Twentse platteland heerste het schemerduister van de zomernacht. De kalender aan de keukenmuur gaf nog zaterdag 12 juni 1943 aan, de vooravond van Pinksteren. Opeens werd de nachtelijke stilte verstoord door een onheilspellend golvend gebrom. Dit was afkomstig van 503 Engelse bommenwerpers die vanuit het noordwesten naar het zuidoosten vlogen.

Langzaam trok de hoofdmacht van de bombardementsvloot over en nam het gebrom weer af. Velen begrepen al door de koers die de toestellen vlogen, dat deze nacht het Ruhrgebied in Duitsland het zwaar te verduren zou krijgen. Boven Twente keerde de stilte terug, maar niet voor lang. Nadat de bommenwerpers inderdaad boven het Ruhrgebied hun bommenvracht hadden gelost, splitste de hoofdmacht zich in drie groepen die elk een eigen route volgden voor de thuisreis.

Even voor middernacht rond half twaalf werden de buurtbewoners in de omgeving van de Stroveldsweg en de Stouweweg te Fleringen gewekt door een vreselijk lawaai en een harde knal. Verschrikt keken zij door de ramen van hun slaapkamers naar buiten en zagen de horizon oplichten. Wat was er gebeurd? Eerder die avond was van de Engelse vliegbasis Skellingthorpe, de Lancaster "VN-S" opgestegen. Het toestel van het type MK III, behoorde tot No. 50 Squadron (Royal Air Force) en had als serienummer ED828. De bemanning had de Lancaster de bijnaam “Sammy - The Donkey Serenade” gegeven. De Lancaster had 117 vlieguren in het logboek staan en was dus ook nog redelijk nieuw. Het toestel was in april 1943 afgeleverd aan No. 50 Squadron.

De bemanning

De bemanningsleden waren: F/Lt Philip J. ,25 jr; Sgt Aubrey Hunter, boordwerktuigkundige, 22 jr; F/Sgt Alan J. Mills, radiotelegrafist, 20 jr; P/O William T. Batson DFM, bommenrichter/neusschutter 20 jr; P/O William J. Glenn DFM, navigator, 22 jr; F/O Murray D. S. Hicks, rompschutter, 36 jr; F/O Albert J. Smith DFC, staartschutter, 20 jr. Voor P/O Glenn zou het zijn eerste vlucht worden bij No 50 Squadron. Hiervoor had hij bij No. 207 squadron gevlogen. F/O Smith was onderscheiden met het “Distinguished Flying Cross” voor bewezen uitzonderlijke moed. De uit Dunbarton, Canada afkomstige staartschutter ontving op 23 maart 1943 uit handen van Koning George VI deze onderscheiding. Batson en Glenn waren beiden onderscheiden met het “Distinguished Flying Medal” voor bewezen moed. Batson ontving de onderscheiding juist twee dagen voor zijn missie op 11 juni.

Nadat de wielen van de opgestegen bommenwerper waren ingetrokken, klom de zwaar beladen Lancaster langzaam naar de voorgeschreven hoogte. Boven de Noordzee verzamelden de vliegtuigen zich en zetten vervolgens koers in oostelijke richting. Het doel deze nacht was de Duitse industriestad Bochum in het Ruhrgebied. Veel vliegtuigbemanningen verafschuwden Duitsland's grootste industriegebied, omdat hier de luchtafweer-batterijen in vele aantallen stonden opgesteld.

Hevig afweervuur

Bij het passeren van de Nederlandse kust en boven de Nederlandse-Duitse grens werd de stroom bommenwerpers hevig beschoten door het Duitse luchtafweergeschut. Enkele toestellen kregen al snel diverse treffers te incasseren en konden door de opgelopen schade niet meer in de lucht blijven. Deze machines stortten neer of moesten een noodlanding maken. Ook de Duitse nachtjagers waren actief en eisten hun tol. De "VN-S" had tot nu toe geen noemenswaardige problemen en bereikte te midden van de armada de stad Bochum. Bommenrichter/neusschutter William Batson nam gedurende de "Bom-run" de navigatie over. Kijkend door de plexiglazen neuskoepel zag hij dat de stad niet te zien was als gevolg van de aanwezige bewolking. De plek waar de bommen gedropt moesten worden was reeds gemarkeerd met lichtfakkels en het schijnsel hiervan was in en door de wolken heen goed te zien.

Deze fakkels waren uitgeworpen door de “Pathfinders”. Dit waren vliegtuigen die voor de bommenwerperformaties uitvlogen en met behulp van geavanceerde apparatuur het doel konden lokaliseren. Het lukte Batson de Lancaster boven het doel te krijgen en hij wierp de bommen af en gaf de bemanning het sein "Bombs-gone". Doordat het vliegtuig de zware last kwijt was wipte deze omhoog. Normaal gesproken zou het toestel nog een rechte koers vliegen om enkele foto’s van de bominslagen te maken, maar vanwege de bewolking trok Philip Stone de Lancaster meteen in een bocht om uit de hel van zoeklichten en exploderende granaten van het luchtafweergeschut te komen. Hij hield nu een westelijke koers aan die navigator Glenn hem had opgegeven.

Nachtjager valt aan

Terwijl de inwoners in het centrum van Bochum vochten tegen de vele grote branden vloog F/Lt Stone de "VN-S" terug naar Engeland. De bemanning bleef waakzaam, want het gevaar om aangevallen te worden door een Duitse nachtjager was nog steeds aanwezig. Tijdens het passeren van de Nederlands-Duitse grens ter hoogte van Denekamp sloeg het noodlot toe. Oberleutnant Helmut Bergmann van Stab/NJG 1 afkomstig van Fliegerhorst Twenthe kreeg de viermotorige bommenwerper in zijn vizier. Zijn snelle en wendbare Messerschmitt Me110 was voorzien van zware bewapening en bleek geen partij te zijn voor de logge Lancaster. Het zou zijn 17e overwinning worden. In de nacht van 6 op 7 augustus 1944 zou Bergmann zelf slachtoffer worden van een Engelse nachtjager. Hij werd in Noord-Frankrijk neergeschoten en overleefde de crash niet. In totaal wist hij 36 vliegtuigen neer te schieten.

"Bail-out!"

P/O William Batson wist zich dit voorval nog goed te herinneren: "Het was exact 02.17 uur (Engelse tijd) op onze boordklok toen we werden aangevallen door een nachtjager. We vlogen op een hoogte van ongeveer 20.000 voet (6000 m). Het vliegtuig vloog vrijwel onmiddellijk na enkele voltreffers in brand en was spoedig niet meer onder controle te houden. F\Lt. Stone gaf het bevel "Bail-out" (toestel verlaten), maar dit bleek onmogelijk door de "G"-krachten die op de Lancaster werkten toen deze tollend naar beneden viel. Kort daarop moet er een explosie bij de cockpit hebben plaatsgevonden waardoor ik uit het vliegtuig werd geslingerd. Het enige dat ik me nog herinner is dat ik rustig aan mijn parachute naar beneden zweefde zonder deze zelf te hebben geopend. Tijdens het dalen merkte ik gewond te zijn geraakt aan mijn voorhoofd, maar dit viel achteraf gelukkig mee. Bij de landing in een korenveld kwam ik ongelukkig terecht en bezeerde mijn rug en been. Na een korte inspectie bleken deze gelukkig niet gebroken te zijn en kon ik alles nog bewegen. Het koren had een dusdanige hoogte dat het me een goede dekking bood tegen eventuele Duitse patrouilles. Ik voelde me daar best veilig en besloot de rest van de nacht maar in dit veld door te brengen. Ik kroop vervolgens onder de parachute en probeerde al slapend de volgende ochtend af te wachten

Naar een onderduikadres

De volgende ochtend op 13 juni was het al vroeg licht. Ik wachtte nog een tijdje met het verkennen van de omgeving. Zo rond de klok van acht uur kroop ik naar de rand van het korenveld. Hier bevond zich een smalle weg. Na ongeveer vijf minuten de weg in de gaten gehouden te hebben, zag ik in de verte een man op een fiets naderen. Het leek mij geen Duitser en ik hield hem aan. Ik sprak hem in het Engels aan en vertelde hem dat ik van de RAF was. (Deze man is de inmiddels overleden dominee Brongers geweest). Hij leek mij te begrijpen en maakte enkele gebaren waaruit ik begreep mezelf weer te verstoppen in het koren en daar op verdere hulp te wachten. Dat deed ik en begroef daar ook mijn parachute. Na enige tijd kwam er een andere man bij me. In redelijk verstaanbaar Engels zei hij dat ik me nog verborgen moest houden. Hij zou zorgen voor verdere hulp.

In de vroege middag verscheen er weer iemand anders bij mijn schuilplaats in het koren. Deze man vertelde me dat ik die avond naar een onderduikadres zou gaan. Ik heb de hele dag in het koren gelegen en moest denken aan mijn bemanning. Hoe zou het met hun afgelopen zijn. Ook moest ik aan thuis denken. Die avond verschenen er twee mannen bij het korenveld. Ze gebaarden me te komen en namen me vervolgens mee. Even verderop stonden twee jonge vrouwen ons op te wachten met elk een fiets in de hand. Een van hen waste mijn gezicht dat nog onder het bloed zat van de wond. Vervolgens kreeg ik een burgerjas voor over mijn uniform en een hoed. Toen het begon te schemeren brachten ze me per fiets via een brug over een kanaal naar het onderduikadres bij de familie Senger in Weerselo. Daar kreeg ik wat te eten en kon weer op krachten komen. Die nacht heb ik in ieder geval redelijk geslapen.

De volgende ochtend, de 14e juni, werd mijn navigator William Glenn op dit adres binnengebracht. Ik was blij hem te zien. Ik vroeg hem gelijk of hij wist hoe het de rest vergaan was. Hij wist hierover niets nieuws te vertellen. Hijzelf was ook veilig met zijn parachute in een veld geland. Volgens enkele leden van de familie Senger was de rest van de bemanning om het leven gekomen. Om en nabij het vliegtuig waren veel dode bemanningsleden aangetroffen. Bij deze gastvrije familie bleven we ongeveer acht dagen. We brachten de nachten door in een tentje in een korenveld nabij het huis. We hadden niets te klagen en werden goed verzorgd.

Verraad in Parijs

Na die rustige acht dagen werden we door het georganiseerde Nederlandse verzet opgehaald en verder geholpen om terug te keren naar Engeland. Via België ging het naar Parijs. Hier ging het voor ons mis. De Franse verzetsbeweging daar was geïnfiltreerd door een persoon die voor de Duitsers werkte. We werden al gauw gearresteerd en naar de Fresnes-gevangenis van de Gestapo gebracht. Na enkele verhoren werden Glenn en ik op transport gesteld naar Frankfurt en overgedragen aan de Luftwaffe. Zij stuurden ons direct door naar het krijgsgevangenkamp Stalag Luft III in Sagan.

Stalag Luft III was een Duits gevangenkamp waar gevangen genomen luchtmachtpersoneel werd vastgezet. De naam was een afkorting van 'Stammlager Luft 3', letterlijk vertaald Basiskamp Lucht 3. Het stond vlakbij Sagan, wat nu bekend staat als Żagań in Polen, 160 km ten zuidoosten van Berlijn. Deze plek was met name uitgekozen omdat het bouwen van tunnels voor ontsnappingen hier moeilijk zou zijn. Dit bleek ook het geval, maar het kamp is tegenwoordig toch voornamelijk bekend vanwege twee ontsnappingen via tunnels: The Great Escape en The Wooden Horse. In kamp Sagan werd ik gescheiden van William Glenn. Hij werd in een ander deel van het kamp geplaatst. We zagen elkaar pas weer na de bevrijding in 1945. Het leven in dit krijgsgevangenkamp was vrij eentonig. In 1944 werd ik af en toe naar het kamp Belaria gebracht voor verhoor. In januari 1945 werden alle krijgsgevangenen onder moeilijke omstandigheden afgevoerd naar Luckenwalde. Dit in verband met het oprukkende Russische leger. In dit kamp werden we in april 1945 bevrijd door de Russen. Een paar weken na de bevrijding werden we overgedragen aan de Amerikanen en naar Belgie gebracht. Van daaruit ging het terug naar Engeland, terug naar huis.

De gebeurtenissen in Fleringen

We gaan nu weer terug naar Fleringen, naar de nacht van 12 op 13 juni. Bij de familie Groothuis aan de Stroveldsweg sliep inmiddels bijna iedereen. Alleen vader Groothuis was nog wakker. Omstreeks kwart over elf hoorde hij vanuit de verte het aanzwellende gebrom van terugvliegende bommenwerpers.Hij maakte meteen iedereen wakker en riep allen op met hem naar een veilige plaats te gaan. In de meeste gezinnen in Nederland speelde dit ritueel zich af zodra er vliegtuigen overvlogen. Zij zochten dan een veilige plaats op want je weet immers nooit wat er kan gebeuren en wat er uit de lucht kan komen vallen. De gehele familie Groothuis was inmiddels wakker geworden en keken uit het raam naar buiten. In de verte aan de donkere hemel boven Agelo en Volthe meenden zij een bijzondere heldere ster te zien. Vader Groothuis realiseerde zich echter dat het hier niet om een ster ging, maar om een in nood verkerend vliegtuig die in brand stond. "Die kan nog wel eens gevaarlijk worden voor onze buurt" zei hij tegen de rest van de familie.

Het brandende toestel kwam nader en nader en daalde snel. Iedereen hield het oranje lichtje dat steeds groter werd in de gaten. Op een gegeven moment waren de motoren te horen. Dit geluid zwelde aan en het leek op hun af te komen vliegen. De machine kwam angstvallig dichterbij. Het vliegtuig vloog uiteindelijk op een lage hoogte tussen de boerderij en het kanaal Almelo-Nordhorn door. In het licht van het brandende toestel zag Groothuis in een flits dat er iemand aan een parachute naar beneden kwam. De rest van de familie was in paniek. Zij renden van de ene kant naar de andere kant van het huis. Het vliegtuig vloog gelukkig verder op een koers evenwijdig met het kanaal.

Het toestel rammelde en kraakte

Ook de heer Kamphuis uit Reutum zag de brandende Lancaster laag in de buurt van het kanaal vliegen: "Het vliegtuig rammelde en kraakte en verloor van alles. Net na de boerderij van Frontrot en nog voor de provinciale weg Fleringen-Weerselo vielen een motor en een stuk van de linkervleugel naar beneden. De machine beschreef vervolgens een bocht en stortte neer aan de Stouweweg net naast de Frontrotsbeek. Toen de bommenwerper neer kwam veranderde het in een vuurzee en zette de omgeving in een oranje gloed. De machine brandde geheel uit.” De volgende ochtend op de Eerste Pinksterdag van de 13e juni, kwamen honderden mensen op de restanten van de machine af. Duitse soldaten hielden de wacht bij het wrak. Wachtmeester Hovestad van de Nederlandse politie hield een oogje in het zeil en zorgde ervoor dat de Duitsers toelieten dat mensen uit de omgeving het wrak konden bekijken. De stoffelijke overschotten van de omgekomen bemanningsleden van de "VN-S" lagen her en der rond het wrak verspreid.

Bij enkele lijken die verderop lagen waren afdrukken in de grond te zien. Deze afdrukken zijn ontstaan door de klap waarmee de lichamen de grond raakten nadat deze bij een explosie uit de omlaag vallende Lancaster waren geslingerd. Boer Cevert uit Reutum liep er die Pinksterochtend met zijn dochtertje en zag een omgekomen lid van de bemanning liggen omgeven door enkele tientallen mensen. Hij liep er naar toe waarop het kleine meisje verwonderd en met luidde stem tegen hem zei: "Kijk eens pappa, die man heeft dezelfde kleren aan als de mannen die bij ons in de schuur zitten". Gelukkig heeft dit voorval geen gevolgen gehad, want de boerderij van Cevert was een onderduikadres voor geallieerde vliegers. Op deze zondag verscheen Luftwaffe-piloot Hauptmann Lütje ook bij het uitgebrande wrak van de Lancaster. Hij kwam het slachtoffer van Oblt. Bergmann nader bekijken. In het weiland vertelde wachtmeester Hovestad hem dat hij had gezien hoe enkele Duitse soldaten tegen de lijken van de omgekomen vliegers hadden geschopt. Lütje zorgde er voor dat de betrokkenen soldaten werden afgelost om zich vervolgens bij de militaire politie te melden voor hun wangedrag.

Opblaasbare boot

Enkele weken later vond boer Groothuis in een roggeveld een lege vleugelbrandstoftank. Hij kwam het voorwerp op het spoor doordat er een "paadje" van platgetrapte roggehalmen naar toe leidde. Enkele mensen uit zijn omgeving hadden al een paar maal een bezoek aan de tank gebracht. Een van deze mensen was de heer Lansink uit Reutum. Hij was er ’s nachts al een paar keer er op uit geweest om er brandstof uit te halen voor prive-gebruik. Verderop in de rogge vond Groothuis een groot pakket en nam dit mee naar huis. 's Avonds na het eten moesten de kinderen in de keuken blijven terwijl vader en moeder met het pakket naar de slaapkamer gingen om het te openen. Moeder Groothuis trok ergens aan op en opeens vulde de kamer zich met een rubberboot die zich automatisch opblies. Deze opblaasbare boten bevonden zich vrijwel in alle vliegtuigen en werden door vliegtuigbemanningen gebruikt als hun toestel in zee terecht kwam.

Johan Brummelhuis

Ook de destijds 20-jarige Johan Brummelhuis uit Weerselo hoorde op dat er een Engelse bommenwerper was neergekomen aan de Stouweweg. Tevens ving hij een gerucht op dat er een piloot van dat toestel in een roggeveld zou liggen tegenover de boerderij van Groothuis aan de Stroveldsweg (dit was William Batson). Brummelhuis besloot met zijn fiets op zoek te gaan naar deze man. Nadat hij onopvallend het grote roggeveld was genaderd klom Johan in een boom om de akker goed te kunnen overzien. Al gauw zag hij een plek met platgeslagen rogge waar zich kennelijk iemand verborgen hield. Snel zocht hij de vreemdeling op en floot daarbij het Engelse volkslied. Dit deed hij om de vlieger duidelijk te maken dat het om “goed” volk ging. In zijn beste Engels sprak hij de vlieger aan. Hij zag dat de man aan zijn voorhoofd gewond was. Johan vertelde hem dat hij hem wilde helpen om uit de handen van de Duitsers te blijven. Hij maakte de Engelsman verder duidelijk dat hij hem een tijdje alleen zou laten, omdat hij terug ging om het één en ander voor hem te organiseren.

Johan Brummelhuis fietste gelijk naar het gemeentehuis in Weerselo. Hier werkte Karel ter Laak (inmiddels overleden). Karel ter Laak was te vertrouwen en had contacten met het verzet. Johan vertelde hem van de vlieger in het roggeveld te Reutum. Ter Laak die de Engelse taal beter beheerste dan Johan ging die middag mee naar de vliegenier om hem het een en ander uit te leggen en zelf meer informatie over deze man te verzamelen. Karel vertrouwde de zaak en er werd besloten om Batson verder te helpen. Enkele verzetsmensen werden ingelicht dat er een geallieerde vlieger op komst is. 's Avonds zijn Karel ter Laak, Johan Brummelhuis en zijn zussen Marie en Santje naar de Stroveldsweg gefietst om de vlieger op te halen. De nu in Goor woonachtige Marietje Goorhuis-Brummelhuis weet zich de belevenissen van die dag nog goed te herinneren: "'s Avonds na het melken ben ik samen met Karel ter Laak, mijn broer Johan en zus Santje mee geweest om een Engelse vlieger aan de Stroveldsweg in Reutum op te halen. Voor hem namen we een extra fiets en burgerkleding mee. Zo zou hij tijdens de vlucht zo weinig mogelijk op vallen Bij het kanaal Almelo-Nordhorn aangekomen bleven Santje en ik achter bij de fietsen. Johan en Karel zijn toen te voet verder gegaan door de weilanden om de Engelsman op te halen. Het duurde even voordat ze met de piloot terugkwamen. Bij het kanaal waste ik zijn gezicht schoon dat nog onder het bloed zat van een snee in zijn voorhoofd. Ook gaf ik hem de burgerjas met hoed. Bij het kanaal besloten wij om nog even in de struiken te wachten totdat het iets rustiger op de weg was geworden. Want er bleken nog een aantal fietsers en wandelaars op pad te zijn op de weg tussen Weerselo en Fleringen.

Bijna gesnapt

We hadden dat net met elkaar afgesproken toen plotseling van alle kanten Duitse soldaten in groepjes van twee aan kwamen lopen. De soldaten waren nog steeds op zoek naar de voortvluchtige bemanningsleden van het neergestorte vliegtuig. Ik dacht bij mezelf, nu is het afgelopen met ons, nu worden we opgepakt. Ze kwamen van alle kanten, we konden nergens meer heen. Mijn broer Johan stelde toen snel voor net te doen alsof Santje verkering had met de vlieger en ik met Karel ter Laak. Santje sloeg toen haar armen om de vlieger heen. Ik deed hetzelfde bij Karel terwijl Johan rustig bleef zitten. Even later passeerden enkele Duitsers en hadden godzijdank niets in de gaten. Wel kregen we nog van een Duitser te horen: "Schön ist die Liebe". We bleven met de schrik goed in de benen maar liggen tot het donker begon te worden. Toen het eindelijk ging schemeren zijn we naar ons huis gefietst. Wat me nog wel opviel was dat de Engelse vlieger steeds de neiging had om links te fietsen.

Een tweede vlieger

Thuis aangekomen vernamen wij van Karel dat een tweede bemanningslid van het neergestorte toestel verborgen zat bij de Veldmeier. Deze piloot zou de volgende morgen naar bakker Senger in Weerselo worden gebracht Hier kon hij een tijdje onderduiken totdat het georganiseerd verzet een verdere vluchtweg had voorbereid. We besloten onze vlieger ook naar Senger te brengen. Johan en Karel hebben de Engelsman dezelfde avond daar afgeleverd”. (Batson kon zich het incident aan het kanaal niet meer herinneren. Johan Brummelhuis bevestigde echter het verhaal van zijn zuster. M. K.).

Die andere vlieger waarvan Marietje Brummelhuis melding maakte was natuurlijk P/O William Glenn, de navigator. William Glenn had zich verborgen in de rogge op de Dokterskamp in Fleringen. Na een tijdje kwam hij terecht bij Hendrik Jan Wolver, bijgenaamd de Veldmeier, woonachtig tussen Weerselo en Fleringen. Hier, in de schuur heeft Glenn de nacht van zondag 13 op maandag 14 juni doorgebracht. De volgende morgen, op Tweede Pinksterdag is hij door bakker Senger en Karel ter Laak opgehaald. William Glenn kreeg zolang een burgerjas mee van Jan Hendrik Wolver, de neef van Hendrik Jan. Bij de familie Senger hebben de beide vliegers, William Batson en William Glenn acht dagen doorgebracht in een tentje in de rogge. Hier is door Karel ter Laak ook een foto van hen gemaakt.  Daarna is het tweetal overgedragen aan een zekere kapitein Hoogerland van het Nederlandse verzet die hen verder op weg hielp en hoe dat afliep, kon u al eerder lezen in dit verhaal. 

*Uit: Ze kwamen bij dag en bij nacht; uitgave Stg.Heemkunde Albergen

Reacties