Verhaal

Saasveldse zomer van weleer

Saasveldse zomer van weleer


Op een van de vroege zomerochtenden waarmee de meimaand van het jaar 2012 ons aangenaam verraste, was ik al vroeg wakker. Wat de reden zal zijn geweest laat zich raden: het kan het broeierige weer zijn geweest, want de bijna voorbije nacht had weinig afkoeling gebracht. De nieuwe dag meldde zich nog bleekjes in Borne, maar wel vastberaden en achter Oldenzaal begon de zon aan zijn dagelijkse klim en beloofde opnieuw een mooie dag.
Op het dak van de kerk – onze naaste noaber – had de merel Ventje al geruime tijd de komende dag aangekondigd en de buurthanen maakten er een wedstrijd van, wie de langste uithaal kon maken, zonder in ademnood te geraken. In de struiken van de pastorietuin ruzieden de mussen in de vroegte al om niets. Ze horen bij het dorp, net als de gierzwaluwen die al enkele malen met hun getierelier langsgekomen waren. Aan de overkant van de straat maakten op de schoorstenen van de leegstaande Pellenhof, die gelukkig behouden blijft en binnenkort gerenoveerd zal worden – de torenkraaien veel misbaar. Maar als je de paartjes uit de zwarte groep dicht bijeen tegen elkaar aan ziet zitten, raakt je dit grote geluk.
Dat alles ging als een wonderlijk hoorspel aan mij voorbij, toen ik al klaarwakker dit mooiste uur van de nog prille dag beleefde en overdacht wat de komende uren zouden brengen.
Nog even té vroeg om al op te staan, lag ik mijmerend te genieten, toen ik plotseling zwak de roep van de koekoek hoorde… Steeds luider en dichterbij. Elk jaar meldt hij zich in ons dorp, telkens onverwachts en van korte duur, want de dgen daarna laat hij zich hier niet weer horen. Elk jaar. Misschien ziet hij in dat tussen de bebouwing, die hem steeds verder terugdringt, niet zijn plek is. Maar mogelijk had hij zijn werk hier al klaar en zal binnenkort een koekoeksjong in een vreemd nest in onze omgeving tevoorschijn komen. Natuur zorgt immer voor verrassingen.
Dit alles overdenkend en met de steeds verder wegklinkende koekoeksroep als aanleiding, geraakte
ik ongemerkt meerdan zestig jaar terug
in de tijd: die onbezorgde lagere schooltijd…
Een redelijk rapport en daarmee overgang naar een hogere klas, zorgden voor vier weken volstrekte vrijheid. In Soasel! ’Het land dat overvloeit van melk en honing!’, zei een jalourse buurjongen die niet
zo gelukkig was als wij, maar wel meer thuis in de bijbel.
Ons tijdelijke thuis was het oude, vertrouwde huis aan de rand van het Molenven, het geboortehuis van onze moeder waar we in de oorlog ook al geruime tijd verbleven, ook de bevrijding meemaakten en waar we een uur nadat de schoolbel voorlopig voor de laatste maal geklonken had, gepakt en gezakt en te voet arriveerden. Ons bed was al gereed gemaakt en véél later dan thuis begon onze eerste vakantienacht. Maar van slapen kwam voorlopig niets. Misschien was het ’t vreemde bed, maar het kan ook het eindeloze lied van de kikkers in de sloten of drinkpoelen geweest zijn. Of de broeierige warmte van de zomeravond en het zuchtje wind dat de geur van kamperfoelie en vers hooi door het kleine venster in het kamertje droeg, bracht weinig verkoeling. Toch sukkelden we in een slaap, waaruit we de volgende morgen ontwaakten; het was al lang licht buiten, de kikkers zwegen en de nieuwe dag was al onopgemerkt door ons begonnen. Maar al eerder voor oom Jan en tante San die ergens in een weiland al de koeien aan het melken waren. Wat later kwamen ze daarvan terug en kort daarna dreef de geur van verse koffie en ’beschuutn met sokker’ door het boerenhuis. Rond dat ogenblik kwamen onze grootouders ook tevoorschijn, maar opoe hebben we niet lang meer meegemaakt, want ziekelijk als ze was, is ze niet oud geworden. Opa heeft haar wel wat jaren overleefd, maar ik kreeg vaak de indruk dat hij in de
nieuwe boerderij zijn draai niet kon vinden en dementerend een zorg voor zichzelf was en voor zijn hem verzorgende dochter, onze tante. Dat nieuwe huis, door Gerhard Mekenkamp als aannemer in
1950 gebouwd, was wel een grote verbetering wat wonen betreft, maar het knusse en vertrouwde was voorgoed weg.
Dat gold ook de omgeving van de oude boerderij op een vrije woensdagmiddag zagen we hoe de pannen als begin van de sloop van het dak werden gehaald en drie dagen later stonden we op de zaterdag daarna onthutst bij een vreemde, lege plek. Alles was verdwenen! Dat gebeurde wat later ook met appelen perenbomen in de boomgaard en de heg eromheen; het bouwland ging op de schop, kronkelende sloten werden recht getrokken en het vlonder erover om bij Wissink te komen, verdween. Het was voor ons eenvreemde wereld geworden en het heeft lang geduurd voor we hier aan gewend waren. Toch was de bouw van de nieuwe behuizing wel een mooie tijd. De aannemer had - zoals toen gebruikelijk was - krachten ingehuurd en dat waren Wolvers-Hendrik, Holschers-Hearm en Holschers-André. Oudere Soaseler weten wel wie dit waren, want de meesten zijn nu al ’oet de tied’. Alleen de laatstgenoemde is nog onder ons en dat zou ook Simmer-Jan, die als opperman de specie maakte en de stenen bij de metselaars bracht, nog kunnen zijn, als een onbegrijpelijk voorval niet ruw een voortijdig einde had gemaakt aan zijn nog vrij jonge leven. Niet alleen brachten we de schoolvakanties in het altijd gastvrije huis door, ook menige woensdag- of zaterdagmiddag karde ik op mijn jongensfietsje naar Saasveld. Er was altijd wel wat te doen; we hielpen hooien, maar
zullen wel meer in de weg gelopen hebben dan ons nuttig gemaakt. Maar waren even gelukkig als de ouderen als het hooi mooi droog ’op ’n balkn zat’ en de frisse geur rond huis en hof hing. En altijd in de voor-zomer de roep van de koekoek, die me tot de dag van vandaag is bijgebleven. Zelfs de aanleiding tot dit verhaal was.
Wat later in de tijd de roggeoogst. Overal in buurt hoorde je dan op de noabererven de haarhamers tikken bij het scherpen van de zicht of op het roggeland het aanstrijken met het pick-strick met datzelfde doel. Dagenlang stond men in de brandende zon te maaien en te binden, overal was men bezig op de nabije
es: wat verderop waren de Wissinks, de Kloompnmakers, Dams en vóór aan de weg Febrieks-Jan en
Kolmschot bezig ’um ’nstoppelhaann oet ’t nustte jaagn’, de oogst tot
een goed einde te brengen. Het was ’n prachtig gezicht: de hele es bedekt met rogge in de ’hök’.
Alleen ging het niet zo best met het eerste ’voor’ rogge dat ik als jongen ’pakte’. Normaal deed
tante San dat, maar omdat onweer dreigde, werd met twee wagens gereden en vond men dat ik dat ook wel kon. Wissink-Jan stak de garven omhoog, waarna ik ze boven aannam en op de wagen volgens gebruikelijke model neerlegde. Hoe hoger ’t werd, hoe meer ik ging twijfelen want ik had het idee dat het ging overhellen. Op m’n vraag: ’Zit’t wa good op de waagn?’ zei de opsteker beneden: ‘Zoa op ’t oag wa…’ Maar ik kreeg  toch steeds meer de indruk dat ik gelijk had en werd daarin bevestigd toen we de akker afreden en ik met lading en al een noodlanding maakte. De winter daarna was duidelijk te zien waar de ramp plaatsvond: de jonge rogge stak boven de knollen uit!
Tegenwoordig hoor je regelmatig de naam ’processierups’ noemen en ambtenaren worden ineens druk en brengen gejaagd rood-witte waarschuwendelinten aan. Toch is dit niet nieuw, want op een foto genomen in de zomer van 1956 van het Gravenbos bij Saasveld lijkt het of het winter is; alleen de lagere struiken dragen blad.
De Saasveldse zomer kende in die tijd enkele bijzondere hoogtepunten: dat waren de al vele jaren verdwenen Ronde van Saasveld en de groots opgezette Folkloristische Schuttersfeesten in het weiland achter het (toen nog) kleine café van Timmer-Holscher. Op die zondagmiddag van het wielerevenement
verzamelden zich de renners aan de start bij Bruins en met een luide knal werden de twee groepen op pad gestuurd. De amateurs reden de grote ronde vanuit het dorp tot aan ’Oalms-poal’, linksaf tot het Molenven en weer terug. Zij reden 100 km; de nieuwelingen die 80 km aflegden, gingen bij de
melkfabriek al linksaf in de richting van de Schut en hadden zo een kortere ronde. Aan het einde
werd een dik touw over de straat gelegd waar de winnaar over flitste om daarna gelukkig de bloemen
in ontvangst te nemen. Van kiss-misses had men in die tijd nog niet gehoord.
Tussen de twee laatste foto’s ligt een halve eeuw:
op de ene - die tijdens de oorlog moet zijn gemaakt, want ik ben ’n jaar of vijf- zit ik met de ooms Jan en Antoon oude Wansink bij de boerderij met de rijpende rogge op de achtergrond en in de verte Kolmschot. Op de andere met de zelfde oom Jan en aan de rechter zijde tante San. Het moet een zaterdagnamiddag
zijn, want buurvrouw Marietje heeft de rollers al gezet. Beiden hebben tot hun heengaan op de boerderij ‘Egbert’ gewoond en zij waren de laatsten van drie generaties Oude Wansink. Een geschiedenis die in Albergen begon en in Saasveld ophield, want de naam is hier uitgestorven.
Gé Nijkamp

Reacties