Verhaal

Het schooltje in Hasselo

Auteur: 
Jo Niks uit Oet de Berschopn nr.79 tm 82 jaar 2001 en 2002

Het schooltje in de marke Hasselo

 

Het is in het jaar 1708 en wel 24 july dat Cornelis Vosmer, de schoolmeester van de Marken Hasselo, Doringen en Gammelke, een verzoek richt aan Sijn Gestrenge, de Hoogwelgeboren O.A. van Bellinkhave in qualiteit als Verwalter Droste des Landes Twenthe, "om het schoolhuis en woninge te mogen verplaatsen en te zetten, Oostwaerts over den gemeinen dijk en weg, gaende nae de stad Oldensel op den naesten van 't voornoemde Erve Joapink". Het verzoek wordt toegestaan en Vosmeer belooft dat de school nooit meer verplaatst zal worden.

Maar in 1756, wanneer de gezamenlijke boermannen van Hasselo een Request (verzoek) indienen bij (aan) de Baron van Heiden, Heere des Huizes Ootmarsum Land Droste van Twenthe, etc. om een andere schoolplaats te kiezen, zo dat die jonge kinderen geen halfuur of langer behoeven te lopen; dat wordt besloten deze school te plaatsen bij Wyrink brugge te Doorningen.

In1799 blijkt de Marke Hasselo zijn eigen school te hebben. De timmerman Antony Lansink beklaag zich dan bij het Landsgericht, dat hij nog moet ontvangen negen en twintig gulden, drie stuivers en twee penningen wegens aan de school verdiend arbeidersloon en daarbij geleverd hout.

In 1807 is de school er weer slecht aan toe. Op de Holtink van 2 December 1807 wordt gedelibereerd over het in orde brengen of vernieuwen van de school en het bestaan van de onderwijzer. Besloten wordt het enige schoolvertrek te verbeteren en in het werk te stellen van zodanige middelen als waardoor het bestaan van de schoolonderwijzer wordt verbeterd en in alle gevallen zekerheid wordt geboden, dit als ingevolge art 11 van het huishoudelijk reglement voor de lagere scholen in dit departement.

Op 29 December 1807 wordt met de schoolopziener afgesproken dat dadelijk een kachel met de nodige pljpen zal worden aangeschaft en geplaatst en dat in het voorjaar een plankenvloer zal worden gelegd.

De verdere besluiten werden op papier gezet en voor een deel hier weergegeven.

" En dat het vaste Tracement van desen schoolmeester, het welke tot hiertoe vijf-en-twintig guldens geweest is, zal verbeterd worden met dertigs, alsmede de somma van honderd twintig guldens voor schoolgeld van alle die kinderen, welke gerekend worden in deeze Marke ter schole moeten gaan. Dan nog de somma van veertig guldens voor schrijfbehoeftes van de kinderen van onvermogende, alsmede de prijsjes, als bij letter C onder No. 2 bij opgemeld Reglement en nog de somma van dertig guldens voor de nodige brandstoffen. Dus te samen de somma van twee honderd twintig guldens over de geheele Marke voor het iaar 1808 en vervolgens telken.iare indien behoeften dezelfde mogen zijn, zo en als naar gewoonte. De uitzettingen in deeze Marke gedaan zijn, zal worden uitgezet: terwijl binnen zes weeken na dato deezes door de ingezetenen dezer Marke een bekwaam persoon zal worden genomineerd en aangesteld, onder wiens beheering dezelve penningen zullen zijn, indien het Bestuur niet mogt kiezen om dezelve te beheeren."

De besluiten werden te Hengelo op 29 December 1807 getekend door:

H.R.G. Pagenstecker, Johannes Enberink - Jan Wegink en Jannes Enberink als getuige. Echter de schoolmeester B.Wilmink heeft in 1819 een Request aan de schout ingediend, omdat hij over de schooljaren 1808, 1809 en 1810 nog een somma van F. 326,20 aan restant gebleven schoolgelden te goed had en deze dan nu eindelijk via de raad wenst te ontvangen.

 

Een opmerkelijk verhaal over meester Rierink en prachtige brieven van meester Borgman.

 

De raad van de gemeente Weerselo heeft op haar vergadering van 28 december 1821 een dringend verzoek behandeld om voor de gewezen schoolonderwijzer Hendrik Rierink in aanmerking te mogen komen voor een pensioen van vijftig gulden per jaar. Het blijkt, dat dit punt voorgaande jaren ook al op de agenda heeft gestaan, maaÍ wegens de ongunstige situatie van de gemeente-financiën niet gehonoreerd kon worden. De begroting van 1822 ziet er gunstiger uit. Meester Rierink had zich meer dan veertig jaren naar vermogen van zijn plichten gekweten en hij had eigenlijk wel recht op pensioen. Maar Rierink had een zoon te Borne wonen, die in goede omstandigheden verkeerde en vrij bemiddeld was. Deze zoon moest in de eerste plaats voor zijn vader zorgen. De ingezeten van de Marke konden moeilijk bezwaard worden in deze voor de landbouw zo drukke tijden. Tevens was te voorzien dat weldra andere, insgelijks bejaarde schoolonderwijzers, van welke reeds twee een bijna gelijk aantal jaren als Rierink in het onderwijs hadden , ook een pensioen zouden verlangen. Er waren leden in de raad, die Rierink tegen broodgebrek wilden beveiligen. Volgens deze leden had Rierink dit aan zijn trouwe dienst wel verdiend; het was niet billijk om het lot van de grijsaard aan de goede wil van zijn zoon over te laten. Nadat er nog lang over gediscussieerd was bleek uit de stemming dat er vier leden tegen en drie voor het verzoek om pensioen stemden, zodat het met één stem meerderheid werd verworpen. Op welke wijze Rierink het einde zijner dagen bereikt heeft, wordt niet vermeld.

Ongeveer een jaar later,6 december 1822, wordt in Klein Driene een vergadering gehouden, waarin besproken wordt om de vacante school in Klein Driene en de school van Hasselo samen te voegen en dan deze school te plaatsen in de omgeving van de Marke scheiding. De inwoners van Hasselo hadden daar bezwaar tegen, zij wilden hun school in het midden van hun Marke behouden, zodat hun kinderen niet zover hoefden te lopen. Van samenvoeging is het daarom niet gekomen.

 

Na de heer Rierink is Hendrikus Slutken tot onderwijzer benoemd.Deze wordt 31 oktober 1823 vervangen door Herman Willems, op 13 maart 1806 te Zwolle geboren en gehuwd met Geertruida Zwaferink.Deze Willems heeft de naam Borgman aangenomen en is tot maart 1877 als Herman Borgman, ruim 54 jaren lang, de onderwijzer aan het Hasseler schooltje.Ook Borgman had te kampen met financiële moeilijkheden, daarvan getuigt onderstaande brief:

Aan de EdelÁchtbare Heeren leden van de Raad der Gemeente Weerselo.

Edel Achtb. Heeren!

Geeft met hoogachting te kennen H.Borgman, onderwijzer te Hasselo! Dat hij meer dan honderd kinderen ter school heeft. Dat volgens de wet van 1857 hem eenen hulp-onderwijzer rnoet behulpzaam zijn. Dat hij wel vijfentwintig gulden (per jaar) geniet van eenen kweekeling, maar dat die som niet toereikend is om eenen kweekeling te bekomen. Men geeft te Lonneker honderd gulden. Dat hij zich met alle inspanning moet redden met één of eenige der grote jongens. Aangezien zijnejaren, of dat het getal der schoolgaande kinderen kan verminderen, zoo wendt hij zich tot Uwe Edel Achtb. Heeren met verzoek, Dat het Uwe Ed. Achtb. Heeren behagen moge, den adressant, voor zijn buitengewone moeite, eene Gratificatie toe te leggen van vijftig gulden,

't welk doende

H.Borgman

Den, 17. Januari 1874.

 

De meester zal het met ruim honderd kinderen niet gemakkelijk hebben gehad. Dat er van het onderwijs niet veel terechtkwam, laat zich denken. Zo'n meester regelde de vakanties naar omstandigheden. Wanneer de rogge gemaaid, of de aardappels gerooid moesten worden werd de schooldeur gesloten. Meester Borgman schrijft de -Edel Achtbaren- standaard een briefje als hij de school sluit en eindigt telkens met:

" Ik twijfel niet of het zal naar U genoegen zijn en verwacht geen antwoord."

Het ging in die tijd minder ambtelijk dan tegenwoordig.

 

De periode van meester J. Molendijk

 

Hij was tijdens de periode 1880- 1921 maar liefst meer dan veertig jaar onderwijzer in Hasselo. De Burgemeester van Weerselo heeft eind Maart 1877 aan Zijne Majesteit Koning Willem III voor meester Borgman te Hasselo een pensioen aangevraagd. Enkele weken daarvoor op 13 maart had meester Borgman zijn 71e verjaardag gevierd. Op dit verzoek wordt door Zijne Majesteit gunstig beslist en aan meester Borgman wordt jaarlijks een pensioen van 317 gulden toegewezen. De bewoners van de buurtschap Hasselo wilden hun meester evenwel niet ongemerkt met pensioen laten gaan; zij boden hem daarom een afscheidscadeau aan. Dp uitreiking van dit cadeau vond plaats tijdens de installatie van de nieuwe onderwijzer.

De nieuwe onderwijzer was de heer M.J. Nunninck. Deze werd, wegens ongesteldheid', tijdelijk vervangen door de hulponderwijzer Genit ten Dam uit Delden. Nadat de heer C.Vergeer de heer Nunninck had opgevolgd en deze Vergeer wegens overplaatsing naar Zeist vertrok, kwam de bekende meester Molendijk zijn plaats innemen.

De heer J.Molendijk had uit de Twentse Courant van september 1880 vernomen dat er een plaats van Hoofd der openbare school te Hasselo vacant was. Hij solliciteerde naar de betrekking en werd aangenomen. Hij nam 31 oktober 1880 afscheid van zijn school te Geesteren en begon de dinsdag daarna zijn werkzaamheden als meester van Hasselo. De school telde meer dan 120 leerlingen. Al deze kinderen kregen samen onderwijs van één hoofdonderwijzer, geholpen door een kwekeling. Maar omdat de toelage van 25 gulden voor deze hulponderwijzer veel te weinig was, werd meester Molendijk spoedig alleen gelaten met het schoolwerk. Uit een staatje dat meester Molendijk aan B. en W. van Weerselo stuurde blijkt, dat van de ongeveer 120 leerlingen en gemiddeld 85 de school bezochten en dat er in de morgen rond de 10 leerlingen minder waren dan in de middag. Een presentielijst werd niet bijgehouden. In het najaar met zijn vele regens en in de winter waren de wegen onbegaanbaar en veel kinderen bleven dan ook thuis. Ook ziekte speelde het schoolbezoek parten. Meester Molendijk moest in 1895 zelf een aantal dagen vrij van school hebben omdat hij lichamelijk niet geheel in orde was; hiervan getuigt de volgende brief.

 

Aan de fungerende Burgemeester,

Daar ik mij wegens het ondergaan van een gelukkig niet gevaarlijke operatie voor eenige dagen naar een hospitaal dien te begeven, verzoek ik U beleefd of ik hiervoor de nodige vacantie mag hebben. Mijn huisarts,de heer Maas te Hengelo, vraagt voor mij aan te Deventer of ik daar kan worden opgenomen, hetzij maandag den 1e april af dinsdag na Paschen e,k. Zijn EdelZeerg. is van oordeel, dat ik niet langer behoef afwezig te

zijn dan een week; Mocht er evenwel íets bijzonders tusschen beide komen, dan kon het ook langer aanhouden, Ook kan ik natuurlijk niet zeker zeggen of ik wel op één der door dokter Maas aan te vragen dagen kan vertrekken, dit hangt nu mede af van de arts te Deventer en of, en wanneer er plaats is in het R.C. Liefde-gesticht. In ieder geval verzoek ik U beleefd, om de noodige vacantie teneinde de operatie te kunnen ondergaan en of ik op dien dag mag afreizen, die de arts uit Deventer voor mij bepaalt? Van mijn heengaan, zal ik U dan later in kennis stellen, terwijl ik mij vlei met de hoop, dat ook weer spoedig te kunnen van mijne terugkomst. In afwachtingverblijf ik inmiddels met de meeste hoogachting.

Ued Achtb. Dw. Dnr. J Molendiik

 

Deze brief laat aanduidelijkheid niets te wensen over. Wel zou je je kunnen afvragen of deze kleine operatie niet in Hengelo uitgevoerd kon worden. Meester Molendijk zal de operatie in 1895 te Deventer wel goed zijn doorgekomen, want van het om medische redenen sluiten van de school is geen sprake. Hoofdmeester Molendijk gaat met meester Sogtoen, die sedert 15 november 1885 aan de school is verbonden, voort met het geven van onderwijs aan de ruim honderd kinderen. Omstreeks 1897 is het lesprogramma uitgebreid met natuurkunde, vaderlandse geschiedenis en gymnastiek. Meester Molendijk bestelt hiervoor de nodige boeken. Voor gymnastiek maakt hij een bestelling van:

= 18 stokken van I meter tot L20 meter lang en ongeveer 3 cm dik;

= 12 korte springtouwen, plm. 6 m. lang en I cm. dik.

=  24 elastieke ballen;

= 16 paren halters van 1.5 kg per paar;

= 16 ijzeren staven, Iang I m tot 1.20 m. en zwaar ieder 1.5 kg.

Dan volgt er nog een P.S.

' Mochten de kosten te groot worden, dan zouden we ons om de halters en ijzeren staven nog wel een halfjaar kunnen redden.' De gymnastiek was toen al een verplichte les en gaf aan het schoolprogramma de nodige afwisseling.

Aan het eind van de 19e eeuw is bij de Wet van 24 mei 1897, Staatsblad no. 156, een verordening afgekondigd voor de heffing van schoolgeld, waarvan art.1 luidt: 'Ter tegemoetkoming in de kosten van het lager onderwijs wordt een schoolgeld geheven dat voor alle openbare scholen in deze gemeente gelijk is.' Het te betalen bedrag aan schoolgeld was afhankelijk van de inkomsten van de ouders of voogden en varieerde van F. 0,90 tot maximaal F. 3,- per halfjaar, per kind.

Dat onder het lagere personeel in overheidsdienst in die dagen mensen voorkwamen die meenden dat ze te weinig verdienden, daarvan getuigt de transcriptie van een briefje van de schoolschoonmaakster uit 1896.

Mijnheer

Dezen is diende U te berigten als dat ik heden de school voor let laatst hep schoongemaakt, daor wij het jaren hebben gedaan voor vele te weiníg geld maar hier niet het minste aanmerking heben gehard of het was'goed om hierover stankjes te ontvangen van het hooft daar bedank ik voor.

Hier ga ik enigen mij noemede , uwe D W Dinaarest, K.H.Borgelink

 

U merkt dat er in die tijd ook al een tekort aan schouderklopjes of waarderende woorden werden uitgedeeld.

In de zomer van 1909 was er wat de centen betreft ook nog een prettig geluid. Het was toen mogelijk een schoolreisje naar De Lutte te maken. In de volgende brief van meester Molendijk nemen we deel aan de voorbereiding van dit feest.

Edetachtb. Heer!

Hasselo 1 juni 1909,

Bij dezen heb ik de eer u mede te delen dat het ons gelukt is de nodige gelden

voor een kinderfeestje bij elkander te lrijgen. Wij zijn van plan dit feestje te vieren op maandag den 7. juni e.k en wenschen bij die geíegenheid een excursie met de leerlingen naar De Lutte bíj Oldenzaal te maken Wij hopen daar 's middags te ruim twee uur met de kinderen aan te komen om ze te onthalen in den tuin van het cafe Borchert. Natuurlijk worden de kinderen er met wagens heen gebracht. Smithuis te Hengelo heeft dit karweitje aangenomen: met een tramwagen, een brik en drie meubelwagens worden we met de feestvierende jeugd naar De Lutte vervoerd. Beleefd verzoeken wij U of wij dien dag verlof mogen hebben; want moeten we 's morgens eerst school houden dan kunnen we, wegens de verre afstanden de kinderen 's middags niet tijdig genoeg bij elkaar krijgen. Ook zijn we zoo vrij U beleefd uit te noodígen om het feestje in De Luttemet Uwe tegenwoordigheid te willen komen vereeren.

Met de meeste hoogachting

Ued, Achtb. dw. dienr,

J.Molendijk

Hoe het feestje in De Lutte is verlopen, is mij niet bekend.

De stoel

In de zomer van 1913 heeft meester Molendijk een nieuwe stoel nodig en hoe hij daar aan denkt te komen, getuigt onderstaande brief.

Aan den Eclelacltb. Heer Jhr. van Geen, Burgemeester te Weerselo.

De indiening van de hierbij ingesloten aanvraag om leermiddelen heeft eenige vertraging moeten ondervinden, omdat ik eerst naar een goed adres en prijs van een doelmatigen stoel voor mij in de klas moest zoeken. Ik heb er een zooals men ze te Hengelo in alle klassen der lagere scholen heefi en die geleverd worden door de Hengelosche houtdraaiereij van de firma Dikkers, alwaar ze, naar ik meen ook vervaardigd worden. Ze worden gemaakt naar het hierbij gevoegde model, maar met langer pooten. Dit laatste moet voor een schoolstoel want een gewone stoel is in de school weinig waard. Ze zijn geheel ven hout, ook de zitting en kosten per stuk F. 5, 75, Het lijkt misschien wel een beetje duur, maar men krijgt ook iets goeds. Ik heb de aarvraag van dezen stoel geplaatst onder die van de N.Handwerken; want wordt hij toegestaon dan zal ik hem wel bestellen In afwachting met de meeste hoogachting.

Ued.Áchtb. dw. dienr. J. Molendijk

De lindebomen

Bij het Hasseler schooltje hebben tot voor enige jaren prachtige en grote lindebomen gestaan, die omdat ze ziek tryaren, moesten verdwijnen. Deze bomen waren voor meester Molendiik op 11 December 1916 aanleiding om aan de Burgemeester van Weerselo een brief te sturen met de volgende inhoud:

Voor geruimen tijd heb ih U eens geschreven over de boompjes op het schoolterrein. Beleefd moet ik daar nogmaals op terug komen; de een zit met zijne takken ongeveer om en boven den schoorsteen van mijn lokaal. Dit boompje dient dus gekapt of scherp gesnoeid te worden. Alle morgen heb ik minstens drie kwartier last van veel rook in het lokaal. Dat is niet om uit te houden. Ik kan niet zeggen dat het alleen van het boompje komt, maar 't is toch maar zeker dat een schoorsteen nooit goed trekt als hij niet vrij staat.

Het verzoek van msester Molendijk om de boompjes te snoeien wordt ingewilligd en zo heeft hij weer een zorg minder.

 

Pensioen.

De jaren gaan voorbij en de tijd komt dat meester Molendijk pensioen aanvraagt. Wanneer hem dat op 1 April 192l wordt verleend, heeft hij meer dan 45 jaar voor de klas gestaan en is hij inmiddels een grijsaard van 70 jaar geworden.

De nieuwe onderwijswet van 1920

 

Bij deze wet werd bepaald dat er naast de Openbare Scholen Bijzondere Scholen gesticht mochten worden. Wanneer in 1920 deze nieuwe onderwijswet van kracht wordt, hadden de meeste katholieke gemeenten geen moeilijkheden om de -tot die tijd- openbare school in een bijzondere school om te zetten. De parochie Deurningen bezat twee openbare scholen, één in Deurningen en één in Hasselo. Pastoor Gloerich van Deurningen wilde van beide scholen één bijzondere school maken. Maar daar voelden de boeren van Hasselo niet voor. Ze waren wel voor een katholieke school, maar ze wilden niet dat hun kinderen zo ver moesten lopen. De school van Hasselo stond mooi in het midden der Marke. Afgevaardigden uit Hasselo gingen zelfs naar de bisschop om hun belangen te bepleiten en het resultaat was, dat de nieuwe plannen niet doorgingen. Toen pastoor Gloerich in 1935 emeritaat verkreeg werd hij opgevolgd door pastoor Galama. Deze was een warm voorstander van het bijzonder onderwijs; hij wilde ook wel één school, maar hii stemde toch toe dat beide scholen openbare scholen werden. Op 27 oktober 1937 werd de school op de Es door kanunnik-deken J.H. Scholten ingewijd. De leerlingen van de openbare school zouden allen naar de bijzondere school overgaan. Bij een onderzoek in1926 of er ook ouders waren, die hun kinderen niet naar de bijzondere katholieke school wensten te laten gaan, bleek dat de familie Van Keppel 1 kind en de familie Hendriks 3 kinderen resp. naar een openbare- en naar een bijzondere christelijke school wilden laten gaan.

Sedert 1937 is het schooltje te Hasselo een katholieke school gebleven.

Toen voor enige jaren de nieuwbouw op de Hasseler Es het scholencomplex Schöppert en Schothorst afleverde, kwam er een einde aan het Hasseler schooltje. Als toekomstig buurthuis keeg het de toepasselijke naam Hasseler-hoes.

 

Jo Niks. 1977 bewerking en uitvoering: Bert Wolbert

Reacties