Verhaal

Het onderwijsverleden van kerkdorp Deurningen

Auteur: 
Annie kamphuis-Aarninkhof uit Oet de Boerschopn nr.119 Herfst 2011

Het onderwijsverleden van kerkdorp Deurningen

 

In de bebouwde kom van Deurningen ligt sinds 1997 in de schaduw van de Plechelmuskerk een fraai modern schoolgebouw. Het is een katholieke basisschool, genoemd naar Sint Willibrordus, één van de Angelsaksische missionarissen die rond 700 naar het vasteland van Europa overstaken om er het christendom te prediken. De school huisvest acht groepen basisschoolleerlingen en een peuterspeelzaal. De leerlingen komen uit de buurtschappen Deurningen en Gammelke en enkele uit Hasselo dat in 1972 bijna geheel opging in een nieuwe wijk van de gemeente Hengelo. We vinden het allemaal zo normaal: modern onderwijs in een modern schoolgebouw en modisch geklede kinderen die aangereden komen op dito fietsen of op de zoef- en zoenstrook uit de aangesnelde auto’s stappen. Na acht jaar zwermen ze dan weer uit naar allerlei vormen van voortgezet onderwijs. Zelfs voor de hogeschool en universiteit hoeven ze niet ver van huis.

Nog in 1945 was dat verre van gewoon. Het is dan ook heel zinvol om na te gaan welke ontwikkelingen hieraan zijn voorafgegaan. Daar is al veel onderzoek naar gedaan, vooral door Gerrit Welberg en Jo Niks. Als oud-leerling van de lagere school in Deurningen vind ik het een eer de boeiende geschiedenis van deze school van het begin af voor u samen te vatten. De samenvatting valt in drie delen uiteen: de eerste school (I), de Deurninger school (II) en de Hasselose school (III). I

 

I De eerste school

Gerrit Welberg ontdekte dat het onderwijs in deze contreien begon met Balthasar Hilvert, tussen 1629 en 1643 aangesteld als schoolmeester voor ‘Hassel en Doringen’. Deze dankte zijn benoeming aan de classis in Deventer, de vertegenwoordiging van de protestantse kerken in Overijssel die de gereformeerde denkbeelden wilden verbreiden. Na de val van Oldenzaal in 1626 en het vertrek van de Spaanse troepen uit de regio was Twente definitief tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gaan behoren. Die Republiek diende gereformeerd te zijn. Er was geen ruimte meer voor het katholicisme, met als gevolg dat het eerste onderwijs op het platteland rond Deurningen protestants van oorsprong was. Waar Balthasar gewoond en gewerkt heeft, is niet bekend. Veel succes kan hij in die tijd niet gehad hebben in een streek waar de bevolking aan het oude geloof bleef vasthouden.

In 1680 deed de classis in Deventer een nieuwe poging tot bekering van de hier woonachtige boerenbevolking. Het provinciebestuur, bestaande uit de Ridderschap (de adel) en de drie grote steden van Overijssel, stelden 50 gulden per jaar beschikbaar voor een nieuwe meester voor de marken Gammelke, Deurningen en Hasselo. De gereformeerde Cornelis Vosmer kreeg de opdracht de kinderen ‘uit Dit globale kaartje geeft de reis van de scholen weer: 1a en 1b - gemeenschapelijke school Hasselo, Deurningen en Gammelke (vanaf ± 1630) 2a - school voor Deurningen en Gammelke (vanaf 1756) 2b - school voor Hasselo vanaf 1756?, zeker 1773, tot 1976 3a - school voor Deurningen en Gammelke (vanaf 1882) 4a en 3b - school voor Deurningen, Gammelke en restant Hasselo (vanaf 1971) 14 deonwetendheid van het pausdom’ te wekken. Cornelis Vosmer kwam in 1689 tussen katholieke boeren terecht die niet veel van hem moesten hebben. Cornelis op zijn beurt klaagt in 1712 dat ze onontwikkeld zijn, van God weinig weten en ook geen behoefte hebben aan zijn kunde in lezen en schrijven. Hij had zelf woonruimte moeten zoeken. Die vond hij op de grens van de marken Deurningen en Hasselo bij de Craecke in een klein huisje op markegrond ten zuiden van de huidige Wiefferweg, vlakbij het punt waar deze nu op de Vliegveldstraat uitkomt. Cornelis moest ook zijn huisvesting zelf betalen. Of hij veel leerlingen heeft gehad, is niet bekend. Wel weten we dat enkele van zijn eigen kinderen integreerden in de plaatselijke boerengemeenschap. Zijn zoon Berend trouwde voor de pastoor in Deurningen met de dochter van de katholieke landbouwer Wegink uit Hasselo. De boeren in Deurningen, Hasselo en Gammelke droegen samen deze Berend in 1716 voor als opvolger van zijn overleden vader om hun kinderen te leren lezen, schrijven en …rekenen. Op die manier bleven ze de drost van Twente, de hoogste bestuurfunctionaris in de regio, een slag voor. Gelet op de ‘handtekens’ was dit verzoek geen overbodige luxe, want geen van de ondertekenaars kon zijn eigen naam schrijven. Berend Vosmer stierf in 1755.

De Hasseler boeren vonden dit kennelijk een goed tijdstip om te melden dat hun kleine kinderen te ver moesten lopen naar school. Het lijkt erop dat dit de aanleiding is geweest om de school bij de Craecke te splitsen. Misschien heeft ruimtegebrek in verband met de bevolkingstoename ook een rol gespeeld.

In ieder geval kregen de Deurninger en Gammelker kinderen in 1756 een school, nabij de Wijrinkbrug waar je de Deurninger beek kon oversteken. Die plek kunnen we nu beter aanduiden als de noordkant van de Oldenzaalsedijk bij Brummelhuis (De Groaw) in Deurningen. De school is op de kadasterkaart van 1832 te vinden. De eerste onderwijzer op deze school kwam in 1757 en heette Jan Herman Tiggelaer.

In diezelfde tijd moeten ook de kinderen uit Hasselo een beter bereikbare school gekregen hebben, midden in de es. Voor 1773 staat er een schoolmeester voor Hasselo geregistreerd op de lijst van de classis van Deventer.

Kortom: in 1756 verdween dus de eerste Deurninger school vanwege een splitsing. Daarvoor in de plaats kwamen twee nieuwe scholen: één voor de kinderen uit Deurningen en Gammelke en één voor die uit Hasselo, met onderwijzers die hun tractement ontvingen van de gereformeerde Overijsselse overheid. De marken Deurningen en Hasselo leverden de bouwgrond.

 

II De Deurninger school

 

Eerst volgen we nu de ontwikkelingen rond de Deurninger school aan de Oldenzaalse dijk die de verbinding vormde tussen Borne en Oldenzaal. De locatie van deze school is precies bekend, het kadaster geeft in 1832 aan: L352 gemeente Weerselo. Van de eerste onderwijzers die daar de kinderen onderwezen, kennen we alleen de namen. Na Jan Herman Tiggelaer kwam in 1769 Abraham Maguel, in 1781 gevolgd door Jan Meulenkamp. Abraham Geerling nam al in 1784 diens taak over. De volgende onderwijzer, Hendrik Leferink, kwam in 1792. Toen brak een bijzondere tijd aan. In 1795 veranderde er veel in onze omgeving, vooral bestuurlijk en maatschappelijk. In dat jaar marcheerden de Franse troepen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen. Zij brachten de ideeën van de Franse revolutie mee: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Het mini-staatje Overijssel verloor zijn zelfstandigheid en werd in het grotere geheel van de Bataafse Republiek opgenomen. Daarbij verloren de Ridderschap en de drie grote Overijsselse steden Zwolle, Deventer en Kampen hun macht. Er kwam een centraal bewind in Den Haag, bestaande uit personen die daar níet meer zaten vanwege hun afkomst of godsdienst. De onderwijswet van 1801 schreef voor dat scholen toegankelijk moesten zijn voor kinderen van alle geloofsrichtingen. Daarmee was de openbare school een feit en de verantwoordelijkheid voor die school lag voortaan bij de centrale overheid en de gemeenten die kort daarop ontstonden. Dus ging de Deurninger school van toen af als openbare school verder. Het protestantse godsdienstonderwijs verdween uit de school en de onderwijzers mochten verschillende geloofsrichtingen zijn toegedaan net 16 als de kinderen. Die kregen trouwens al lang katholiek godsdienstonderwijs, maar buiten de school. In 1884 zou daar zelfs in Deurningen een ‘catechismuskamer’ voor worden gebouwd.

 

Meester Gorkink

 

Het is niet duidelijk hoelang Hendrik Leferink gebleven is. Rond 1848 duikt ineens een andere meester op. Hij heet Derk Hendrik Gorkink, is afkomstig uit Markelo en nog ongehuwd. In dat jaar koopt hij samen met Gerrit Wilthuis een af te breken schoolgebouw in Deurningen. Was de school aan de Oldenzaalsedijk na 90 jaar aan vervanging toe? Gegevens daarover ontbreken. Wel weten we dat er op die plaats in 1870 nog een school stond en dat Gorkink ernaast woonde. Derk Hendrik heeft waarschijnlijk zijn deel van de afbraak gebruikt om zich een eigen onderkomen te bouwen. Hij trouwde in 1855 met Johanna Maria Dingeldein uit Denekamp. Deze stierf in 1861 en Gorkink hertrouwde in 1862 met Johanna Simmelink uit Eibergen. Gorkink was niet katholiek, pastoor Bloemen uit Deurningen heeft hem in 1859 ook niet in zijn gezinsoverzichten opgenomen. In 1870 kreeg de familie Gorkink te maken met tegenspoed. Hun huis brandde op 25 juli 1870 geheel af. Verzekering dekte de schade, maar op 14 december 1872 kreeg Gorkink wel voor ƒ 266.- de deurwaarder aan huis. Bovendien waren het heel slechte tijden voor Deurningen. Er heersten allerlei besmettelijke ziekten. In 1871 overleden in dat deel van Deurningen in één gezin vier mensen aan de rode loop (dysenterie) en er stierven mensen aan pokken, roodvonk en typhus. Ook Gorkink overleed in die tijd, op 17 december 1872 en een dochter in 1874, elf jaar oud. De oorzaak kennen we niet, maar het geeft wel te denken. De familie verdween rond 1878 uit Deurningen. Uit een brief van zijn opvolger blijkt dat het in Gorkinks tijd met het onderwijs in Deurningen zeer slecht gesteld was.

 

Meester Vonk

De opvolger van meester Gorkink was de katholieke Frans Alberts Vonk, geboren 15 oktober 1842 te Steggerda in Friesland, gehuwd met Johanna Eises ten Berge uit dezelfde streek. Vonk kwam van een school in Tubbergen, toen hij zich op 16 november 1872 in Deurningen als zeer jong hoofdonderwijzer vestigde, maar niet op de plek waar Gorkink gewoond had. Gelet op zijn huisnummer in het bevolkingsregister moet het in de buurt geweest zijn van het erve Wiefferink (Oude Nijhuis). Vonk was totaal niet tevreden over de toestand van het onderwijs zoals hij die aantrof en hij beklaagde zich daarover bij de burgemeester van Weerselo. In het schooljaar 1873 was er gedurende zeven à acht maanden niets van het onderwijs terecht gekomen en vaak had hij voor 10 à 12 kinderen ‘school gehouden’. Om de verloren tijd in te halen had hij met nieuwjaar geen vakantie gegeven. Hij schrijft dat hij hard gewerkt heeft - tegen schrale bezoldiging - en dat de school niet meer onder hoeft te doen voor andere scholen in de gemeente, terwijl zij anderhalf jaar geleden nog de slechtste was. De snel lerende Deurninger kinderen hebben echter niet kunnen verhinderen dat meester Vonk solliciteerde in Beuningen. Daar kreeg hij per 15 februari 1874 een aanstelling als hoofd der school en hij bleef er de rest van zijn leven.

 

Meester van Stralen in een nieuwe school

Toen kwam op 2 augustus 1875 de zevenentwintigjarige Petrus Martinus van Stralen als hoofdonderwijzer naar Deurningen. Hij was geboren te 18 Veenhuizen in Drente en zijn vader staat als ‘kolonist’ in de burgerlijke stand, maar zijn zoon kreeg van hieruit wel de kans onderwijzer te worden. Eerst in Oud en Nieuw Gastel, daarna als hoofd der school in Deurningen. De eerste tijd was hij in de kost bij Pelster, waarna hij zich met de oudere huishoudster Geertruida Pigge vestigde in het huis waar ook voorganger Vonk gewoond had. Petrus moet van 1875 tot 1882 nog aan de oude school aan de Oldenzaalsedijk gewerkt hebben. Het leerlingenaantal steeg onder Van Stralen snel, ook zonder leerplicht. In 1881 meldt de gemeente Weerselo de aanbesteding van een nieuwe drieklassige school (architect J. Mole) aan de weg van Deurningen naar Weerselo, nu Deurningerstraat, tegenover het erve Wiefferink (Oude Nijhuis). Voor de bouw van de school had de gemeente oude markegrond ter beschikking, temidden van veel heide. Er was ook ruimte voor een speelplaats, want sinds de verdeling van de markegronden was daarvoor zelfs bij bestaande scholen grond gereserveerd. In 1882 was de school klaar, maar het duurde volgens Van Stralen wel lang voordat de schoolomgeving op orde was. Privé had de meester zijn zaken ondertussen goed geregeld. In het jaar waarin de nieuwe school in gebruik genomen werd, trouwde hij met Gezina Kleijsen uit Tubbergen. Het echtpaar kreeg in korte tijd drie kinderen. Petrus Martinus stierf echter al in 1890, ongeveer eenenveertig jaar oud, een jong gezin achterlatend. Dit sterfgeval stelde de gemeenschap voor problemen. Er moest snel gehandeld worden en dus kwam er een waarnemend hoofd der school: Gerhardus Joannes Mulder, afkomstig uit de gemeente Weerselo. Was hij in Deurningen al aan school? Hij heeft het in ieder geval moeilijk, schrijft hij naar Weerselo: geheel alleen moet hij 60 à 70 leerlingen onderwijzen. Daardoor lijdt zijn studie schade, meldt hij. Waarschijnlijk was hij bezig met de hoofdakte. Die heeft hij wel gehaald, want hij trouwde in 1899 in Denekamp als hoofd der school met Johanna Leferink op Reinink uit Volthe.

 

Meester Hendrik Oude Vrielink

Rond 1895 fungeerde Gerhardus Antonius Oude Essink, geboortig uit Oldenzaal voor korte tijd als hoofd der school in Deurningen. Het was geen blijver, want in 1898 vertrok hij voor dezelfde functie naar Groenlo. In Deurningen was toen een onderwijzer aan school die meer op had met deze plattelandslocatie: Hendrik Oude Vrielink, op 24 mei 1871 geboren te Rossum. Hij volgde ook de cursus voor de akte landbouw LO samen met meester Molendijk, die hoofd van de school in Hasselo was. Oude Vrielink bleek in 1898 de juiste man als hoofd van de Deurninger school.Het landbouwonderwijs was er in opkomst en de samenwerking met Molendijk verliep goed. De school in Hasselo gaf in die tijd de toon aan: de ondernemende Molendijk had ook twintig jaar meer ervaring. Hij verdiende ƒ 1000.- per jaar, terwijl Oude Vrielink het met ƒ 850.- moest doen. Ondanks het lagere salaris wilde Hendrik Oude Vrielink zich wel in Deurningen vestigen. In 1900 kondigde hij in Weerselo aan dat hij ging trouwen en van plan was een huis te bouwen in zijn standplaats. Dat huis staat er nog, aan de Hoofdstraat, bij benzinestation Keupink. Het huwelijk vond plaats op 23 oktober 1901 en de bruid was Johanna Maria Brookhuis uit Ootmarsum. Op school had Oude Vrielink versterking gekregen van de in Deurningen bekende meester Johannes Hendrikus Nijkrake. Dat was maar goed ook, want op 1 januari 1901 ging de leerplichtwet in. Tien jaar later deed een onderwijzeres haar intrede in de school, speciaal voor de lagere klassen en het handwerken, waardoor de aparte handwerkjuf niet meer nodig was. Met het onderwijs in Deurningen ging het goed, maar niet met het schoolgebouw. Dat werd echter pas in 1918 opgeknapt en met een lokaal uitgebreid. De school had toen vier lokalen. In 1922 arriveerde de vierde leerkracht: Johan Herman Aarninkhof, geboren in Hasselo. Hij bleef tot het einde van zijn onderwijsloopbaan aan de school verbonden, net als meester Oude Vrielink, meester Nijkrake en juffrouw Sien Sogtoen. Hendrik Oude Vrielink, die ook jarenlang de functie van president van de St. Vincentiusvereniging bekleedde, ging in 1934 met pensioen na een dienstverband van veertig jaar, bijna geheel doorgebracht in Deurningen. Daar overleed hij op 22 november 1937.

 

Meester Groothuis

De in Gammelke geboren meester Hendrikus Antonius Groothuis had zich op de Deurninger school al vanaf 1929 warm kunnen lopen toen hij Hendrik Oude Vrielink in 1934 opvolgde als hoofd der school. Groothuis maakte meteen een grote verandering mee. Hij was nog door de burgemeester van Weerselo aan een openbare school benoemd. Pastoor Galama, in 1935 in Deurningen aangetreden, kreeg in 1937 alle neuzen dezelfde kant op voor de invoering van het bijzondere (katholieke) onderwijs in Deurningen en Hasselo. De bijzondere school was reeds mogelijk sinds 1920, maar de toenmalige pastoor Gloerich wilde één school bij de kerk en daar hadden ze in Hasselo geen oren naar. Pastoor Galama stelde voor de twee parochiescholen te handhaven. Dus kreeg Deurningen op 27 oktober 1937 zijn St. Willibrordusschool en de school in Hasselo ging St. Bonifaciusschool heten. Het kerkbestuur van Deurningen nam ook de taak van schoolbestuur op zich, met de pastoor als voorzitter. In school mocht voortaan de katholieke godsdienst onderwezen worden en ook de pastoor en de kapelaan verschenen voor de klas. Het personeel aan beide scholen was al jaren katholiek en bijna alle leerlingen ook. Het personeel moest wel herbenoemd worden.

In 1938 had de Willibrordusschool de volgende vier leerkrachten: de heren Groothuis en Aarninkhof en de dames Sogtoen en Gerritsen. Er waren genoeg lokalen, in redelijke staat en niets stond leren in de weg.

Maar op 10 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit en langzaam begon de krimp: niet meer op de fiets naar school, gebrek aan kolen in koude winters, schoenen raakten versleten en werden vervangen door klompen. Zeven keer moesten de leerlingen de school uit, vijf keer voor de Duitse bezetters en twee keer voor de Engelse bevrijders. Lessen in parochiehuis en cafés konden niet verhinderen dat een jaar onderwijs verloren ging. Leerlingen die in de Tweede Wereldoorlog de school bezochten, missen allemaal 1944 in hun rapportboekje!

 

De oorlog voorbij en….weer een verhuizing

 

Hoewel het vertrek van de Duitsers op eerste paasdag 1945 (1 april) met grote vreugde begroet was, bleek op 5 mei van dat jaar dat Nederland er in economisch opzicht slecht aan toe was. Maar iedereen deed wat hij doen moest, het onderwijs maakte een inhaalslag en zo kwam men de schrale jaren rond 1950 door. In die tijd van hoop nam de bevolking snel toe en het ‘dorp’ Deurningen kreeg er een echte straat bij, de Wilthuisstraat. Het kinderaantal steeg. In 1958 kwam de eerste kleuterschool, eerst onder leiding van juffrouw Knoef, na een jaar opgevolgd door juffrouw Stigt. Voorlopig vonden de kleuters onderdak in het parochiehuis, maar in 1965 konden ze aan de Pastoor Teussestraat de nieuwe kleuterschool, ‘t Zunneke, betrekken. Ook veel kinderen uit Hasselo bezochten de kleuterschool: een goede vooroefening voor de ontwikkelingen waaraan later niet te ontkomen viel. Het bleef in Deurningen niet bij dat ene straatje en het vlekje op de kaart groeide uit tot een echt dorp. Daar profiteerde de St.Willibrordusschool van. De school aan de Deurningerstraat, de huidige Marke bleek al snel te klein en raakte ook nog eens in verval. Er moest heel wat aan verspijkerd worden en op de speelplaats verrees een noodlokaal. Eind zestiger jaren had de school alweer behoefte aan een extra lokaal. Er was weliswaar uitzicht op nieuwbouw, die op de urgentielijst stond, maar daar konden de kinderen niet op wachten. Dan maar een klas onderbrengen in het parochiehuis waaruit de kleuters in 1965 net vertrokken waren. De school in Hasselo profiteerde niet van de uitbreiding van het dorp. De Bonifaciusschool, ooit toonaangevend, verloor zijn aantrekkingskracht, omdat de gemeente Hengelo zijn oog had laten vallen op de Hasseleres voor stadsuitbreiding. Het leerlingenaantal liep daardoor ineens sterk terug. Ondertussen zag de Deurninger school twee vertrouwde leerkrachten, meester Aarninkhof en juffrouw Sogtoen, wegens pensionering vertrekken. Langs gekomen waren voor korte tijd: de dames Frankenhuyzen, (R.) Geuzendam, Van der Aa en de heren (H.) Veldhuis, Van der Werf, Hesselink, Woertman, om enkelen te noemen. Wie bleven waren meester Groothuis, het hoofd van de school en de onderwijzer Herman in ‘t Veld. Zij waren erbij toen op 4 oktober 1971 de Willibrordusschool verhuisde naar de hoek van de Kerkweg/Hoofdstraat in het centrum van Deurningen. Op die plek was door de firma Tramonta in korte tijd een nieuwe school gebouwd. Het was de enige firma in Nederland die dit eenvoudige Engelse bouwsysteem leverde. Bij gebrek aan geld moest Deurningen met zo’n school genoegen nemen. Goedkoop zou echter duurkoop blijken. De school vertoonde al snel gebreken, maar die problemen hoefde meester Groothuis niet meer op te lossen, want op 30 juni 1973 ging hij na ruim veertig jaar met pensioen.

 

Meester Herman in ’t Veld treedt aan

Een insider volgde de heer Groothuis op. Herman in ’t Veld had twaalf jaar de tijd gehad om de school te leren kennen. Door en door Twents was hij, op 10 juli 1936 geboren in Boven Deurningen, maar kerk en school bezocht hij in Zuid-Berghuizen. Op 14 augustus 1973 kreeg Herman zijn benoeming als hoofd van de Willibrordusschool. Zijn belangstelling voor muziek en sport moet het kerk- schoolbestuur aangesproken hebben. Er stonden Herman veel veranderingen te wachten. Vanaf 14 april 1975 ging er ineens een oudercomité meepraten. In 1976 kwam een deel van de leerlingen van de op 1 augustus van dat jaar gesloten Hasselose school naar Deurningen. Je kunt het zien als een soort herstel van de situatie van voor 1756 toen er nog één school was voor de marken Hasselo, Deurningen en Gammelke. Maar het proces van verlies en groei moet een heel dubbel gevoel gegeven hebben in de parochie. De gemeenschap verloor niet alleen een school, veel agrariërs rond de Hasseleres moesten hun heil buiten hun vertrouwde omgeving zoeken en familie en vrienden achterlaten. Het betekende pijn voor twee kanten.

Op de Willibrordusschool gingen de ontwikkelingen echter gewoon door. Met de oprichting van de medezeggenschapsraad in april 1983 kreeg het personeel inspraak in het onderwijsgebeuren en de nieuwe wet basisonderwijs ging in augustus van datzelfde jaar van start. Dat betekende dat de kinderen van vier tot en met twaalf jaar naar dezelfde school zouden gaan en deelnemen aan een aaneengesloten onderwijs-leerproces. Dat proces moest meteen ingezet worden, maar één schoolgebouw was er voorlopig nog niet. Wel kwam er op 21 december 1983 een zelfstandig katholiek schoolbestuur met een leek, Gerrit Aarninkhof, als eerste voorzitter. Het kerkbestuur ging zich zoals voor 1937 alleen nog met kerkelijke zaken bezighouden.

Het Tramonta-schoolgebouw leverde steeds meer problemen op en was ook weer eens te klein. Schoolbestuur, schoolleiding en allerlei geledingen in de Deurninger gemeenschap, waaronder de dorpsraad, hebben zich toen samen ingezet voor de huidige mooie en degelijke school op dezelfde plaats als de in 1972 gebouwde. Basisschool Willibrordus Net voor de zomervakantie in juni 1997 is het feest in Deurningen, want dan gaat de deur van de nieuwe Basisschool Willibrordus open. Een eeuwenlang traject, via het buitengebied, met vier verhuizingen en ettelijke verbouwingen zit erop. Kinderen van de oude Tramonta-school en de kleuterschool kunnen nu samen leren in een mooi eigentijds gebouw. Voor Herman in ’t Veld, inmiddels op papier directeur geheten, is het het sluitstuk van zijn lange onderwijsloopbaan die hem veel energie gekost moet hebben. In datzelfde jaar gaat ook hij met pensioen, bijna veertig jaren trouwe dienst in Deurningen zitten erop.

Wim Hövels, de adjunct die al sinds 1975 aan de school verbonden was, neemt voor korte tijd het roer over, totdat in 1998 de nieuwe schoolleider arriveert. Het is Jos van Lith, die in 1966 in Oss geboren is en in Almere onderwijservaring heeft opgedaan als leerkracht en adjunct. Een Brabander als directeur van de basisschool na al die Twentenaren! Het is de zoveelste verandering voor Deurningen in dat laatste kwart van de twintigste eeuw. Maar daar hebben de gemeenschap en zeker de school, waar teevee en computer de wereld binnenbrengen, geen moeite meer mee. De tijden van Balthasar Hilvert en Cornelis Vosmer zijn dan al 350 jaar voorbij. Kort na het afsluiten van dit artikel bleek dat Jos van Lith zijn onderwijscarrière per 1 augustus 2011 gaat voortzetten aan de Drieëenheidsschool in Oldenzaal. Daarmee behoort hij dus ook alweer tot het onderwijsverleden van Deurningen. Als zijn opvolger is Jasper Diele benoemd.

III De Hasselose school

Met de splitsing van de eerste school voor Hasselo, Deurningen en Gammelke in 1756 begon een nieuwe fase in het onderwijs van deze drie marken. De kinderen uit Deurningen en Gammelke kregen hun school aan de Oldenzaalsedijk in Deurningen, maar waar moest de Hasselose jeugd nu leren lezen en schrijven? De ondernemende Hasseler boeren bouwden een eigen school midden in de es waar hun erven zich omheen schaarden. Daar lag een geschikt stukje markegrond, later kadastraal bekend als L 1287. Het was voor alle kinderen uit Hasselo ongeveer even ver lopen. Wel langs rulle of modderige zandwegen, maar men kende toen niet anders. Bovendien stichtten de Hasselose agrariërs hun school aan een route van Weerselo naar Hengelo en Borne die dwars door de Hasseleres liep, en ook nog eens op een plek tussen twee bruggen. De ene lag over de Hesbeek en via de andere kon je de Hasselerbeek oversteken. Ruim twee eeuwen lang heeft de Hasselerschool op dezelfde plaats gelegen, tot hier in 1976 het boeiende verhaal van dit onderwijscentrum eindigde. Een deel van de geschiedenis ervan is door Jo Niks vastgelegd.

 

De meesters Kerkveld, Grotenhof en Rierink

Of hij de eerste onderwijzer aan de Hasselose school geweest is weten we niet. In ieder geval was Jannes Kerkveld er in 1773 verantwoordelijk voor het onderwijs, want hij staat voor dat jaar genoteerd op de loonlijst van de toenmalige overheid. In 1778 treffen we Bernhardus Grotenhof voor Hasselo op die lijst aan. Drie jaar later, in 1781, verscheen de in Hengelo geboren Hendrik Rierink er voor de klas. Hij wijdde zich meer dan veertig jaar aan de Hasselose jeugd. Tijdens zijn loopbaan had de grote maatschappelijke en bestuurlijke omwenteling van 1795 plaats. Zijn school verloor het gereformeerde etiket en ging verder als openbare school. Protestantse godsdienstles was op school niet langer toegestaan, maar verder zullen de kinderen van die overgangsperiode weinig gemerkt hebben. De meeste leerlingen waren katholiek en hun godsdienstonderwijs kregen ze toch al buiten de school. Daarvoor moesten ze naar het centrum van Deurningen. Voor het gewone schrijven, lezen en rekenen veranderde er niets. Meester Rierink moet in de patriottentijd Pruisische troepen hebben zien langskomen en daarna de Franse nieuwlichters, die op het platteland behoorlijk huishielden. Heel andere ideeën over wie het nu voor het zeggen had in de samenleving, moest hij verwerken. Bovendien kreeg hij een nieuwe broodheer in de persoon van de burgemeester van Weerselo.

Rond 1820 wilde Rierink met pensioen, maar dat was toen nog geen recht. De raad van Weerselo heeft op 28 december 1821 het dringende verzoek vanuit Hasselo behandeld om de trouwe schoolmeester een pensioen toe te kennen. Hoewel de gemeentelijke financiën er voor 1822 beter voorstonden, zou inwilliging van het verzoek andere onderwijzers op een idee kunnen brengen! Hendrik Rierink had immers een bemiddelde zoon in Borne, een horlogemaker, die moest allereerst voor z’n vader zorgen vond men in die dagen. Niet ieder raadslid was het daarmee eens, maar met drie vóór- en vier tegenstemmers moest Rierink naar Borne verhuizen, waar hij op 12 februari 1826 op zeventigjarige leeftijd overleed.

 

Voortvarende probleemoplossing

Ook de marke Hasselo had in het begin van de negentiende eeuw problemen als gevolg van de omwenteling. Hoewel er drukke tijden aanbraken voor het markebestuur in verband met de verdeling van de markegronden, bleef het bestuur toch oog houden voor de veranderingen in het onderwijs. Op de holting van 2 december 1807 kregen twee Hasselose boeren, Jan Wegink van de zuidzijde van de es en Jannes Engberink aan de noordzijde woonachtig, de opdracht om met de schoolopziener de openbare school in Hasselo ‘op orde te brengen of te vernieuwen’. Tevens moesten ze bezien of er ‘aan het bestaan’ van de schoolonderwijzer iets te verbeteren viel. Die onderwijzer moet Hendrik Rierink geweest zijn. Drie weken later meldden de onderzoekers al dat er in het schoolvertrek dadelijk een kachel moest komen met de nodige pijpen. Ze adviseerden bovendien dringend in het aanstaande voorjaar het lokaal van een plankenvloer te voorzien. Stel je voor: in de winter, want dan kwamen de meeste leerlingen op school, misschien wel honderd kinderen op een lemen vloer in één ruimte, verwarmd met een open, rokend vuur en slechts één onderwijzer om de boel te runnen voor 50 gulden per jaar. Daar viel wel iets aan te verbeteren. De commissie regelde dat er 30 gulden bij zou komen, plus 120 gulden aan schoolgeld van de kinderen, 40 gulden voor schrijfbehoeften en 30 gulden voor brandstof. Dit kunnen we lezen in het markeboek van Hasselo anno 1807. Het was een aanzienlijke verbetering, als Rierink het geld tenminste ontvangen heeft.

 

Meester Borgman op komst

Na het vertrek van Hendrik Rierink in 1821 vernam de markerichter van Hasselo, de heer Dikkers, per brief van burgemeester Stork van Weerselo dat volgens de minister voor het publieke onderwijs het markebestuur Hendrik Slutken als nieuwe onderwijzer kon aanstellen. Zo functioneerde het nieuwe bewind van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1815. We zien dat oude structuren niet geheel zijn losgelaten, want de marke heeft nog inbreng.

Helaas bleef Hendrik Slutken slechts tweeëneenhalf jaar en moest de hele procedure weer opnieuw. Op 31 oktober 1823 trad de zeer jeugdige Herman Willems als onderwijzer in Hasselo aan. Hij was op 13 maart 1806 te Zwolle geboren. Hij noemde zich Borgman, waarschijnlijk naar zijn stiefvader. Hij trouwde in 1829 met Geertruida Zwaferink uit Klein Driene, waar hij op het erve Zwafert ging wonen. Hij raakte er gesetteld en bleef 54 jaar de kinderen in Hasselo onderwijzen. Dat was een zware opgave: nog steeds 100 leerlingen alleen lesgeven! Hij had wel recht op een kwekeling sinds de wet van 1857, maar kennelijk was zo’n hulpje niet te krijgen. De 25 gulden per jaar die Borgman zo’n assistent kon betalen, leverde geen gegadigde op, zo iemand kon in Lonneker 100 gulden verdienen. Meester Borgman deed nog meer dan onderwijs geven. In 1835 kreeg hij 30 een functie bij de verdeling van de markegronden in Hasselo. Het markebestuur verzocht hem de verschuldigde gelden van de bij de verdeling betrokken ingezetenen te innen en de commissies die werkten aan de verdeling van de gemeenschappelijke gronden, te ondersteunen als een soort ‘professional’. Hij zou daarvoor ‘schadeloosstelling’ ontvangen. Het is wel bijna zeker dat dit gebeurde door toekenning van ruim twee ha markegrond aan Borgman (delen van K217). In ieder geval kreeg hij deze grond niet vanwege eigen grondbezit in de marke Hasselo. De vertrouwenswerkzaamheden eindigden in 1843. Daarna zie je dat op het platteland steeds meer onderwijzers ingeschakeld worden voor werkzaamheden ten behoeve van de gemeenschap.

Voor meester Borgman was er wel pensioen in die dagen. Toen hij 71 jaar oud was, besliste Zijne Majesteit koning Willem III per 1 april 1877 gunstig over Borgmans ouderdomsvoorziening. Herman Borgman heeft er niet lang van kunnen genieten, want hij overleed op 12 december 1878.

 

In afwachting van meester Molendijk

Het bleek erg moeilijk een krachtfiguur als Borgman op te volgen. De te Hengelo geboren Martinus Johannes Nunnink had op 4 mei 1877 zijn benoeming gekregen als hoofdonderwijzer te Hasselo. De schoolopziener meldde hem op 14 januari 1878 al ziek bij de burgemeester van Weerselo. Op 9 juli daaropvolgend bleek Nunnink nog niet hersteld, maar hij had wel de hulponderwijzer H. ten Dam uit Delden bereid gevonden voor hem waar te nemen gedurende zes maanden. Het kwam niet goed met Nunnink, want op 29 juli 1879 blijkt Cornelis Vergeer als onderwijzer in Hasselo te zijn aangesteld. Vergeer was in Zeist geboren en ging na een jaar al weer terug naar zijn geboorteplaats. Na dit ongelukkige intermezzo van drie jaar had Hasselo behoefte aan een stabiele onderwijsman. Deze diende zich op 15 oktober 1880 aan in de persoon van Johannes Molendijk, die geboren was in Lattrop. De dertigjarige meester had onderwijservaring opgedaan in Geesteren. In eerste instantie vond hij onderdak op de boerderij van Scholten Reimer. Later bouwde hij daar in de buurt zijn eigen karakteristieke huis, waar hij met zijn zuster Meike ging wonen. Aan trouwen is Molendijk nooit toegekomen, vandaar dat hij zoveel energie in het onderwijs kon steken Van zijn activiteiten heeft hij ons een uitgebreide briefwisseling nagelaten.

 

De twintigste eeuw in

Met meester Molendijk betrad de Hasselose jeugd de twintigste eeuw. De tijd was Molendijk gunstig gezind geweest, want rond 1885 had ook Hasselo een nieuwe school met twee lokalen gekregen. Aanvankelijk stond hij alleen voor 120 leerlingen, waarvan er gemiddeld 85 de school bezochten. Hij had wel steeds hulp van een kwekeling, maar op 20 november 1885 kwam eindelijk voor de drukbezochte school de aanstelling van de bevoegde onderwijzer Gerrit Jan Sogtoen. Deze was in Gammelke op het erve Geerdink geboren en heette in de volksmond Geerdinksmeester. Sogtoen kwam op een belangrijk moment, want per 1 januari 1901 trad de leerplichtwet in werking: Leerlingen mochten niet zo maar meer verzuimen. Wat mijn in 1878 geboren grootmoeder ‘Eimk Hanna’ overkwam, ging tot het verleden behoren. Toen ze tien jaar oud was, vroeg de gemeenschap zich af ‘wat die lange lemp nog noar school mos’ en moest Hanna Engberink na vier jaar onderwijs thuisblijven! Rond de eeuwwisseling ging het met het onderwijs in Hasselo steeds beter: Molendijk bestelde in die tijd twintig grote platen voor aanschouwelijk onderwijs, boeken voor vaderlandse geschiedenis en natuurkunde en materiaal voor gymlessen in de vorm van springtouwen, stokken, halters etc. In 1899 was de eerste onderwijzeres voor nuttige handwerken aan meisjes benoemd en in 1904 kwam de derde vaste leerkracht, de heer H. Vonk uit Beuningen, een zoon van F.A. Vonk die eerder enkele jaren de school in Deurningen leidde. Rond 1900 bezat meester Molendijk al de akte  landbouwkunde LO, als één van de eersten in Twente. Daar hebben veel jonge boeren in Hasselo, Deurningen en Gammelke van geprofiteerd. Hij gaf ook elders in Twente cursussen, o.a. in Rossum. In de buurt van zijn huis legde hij proeftuintjes aan. In dezelfde tijd kwam het herhalingsonderwijs voor leerlingen van 12 tot 17 jaar van de grond: tweemaal per week van half zes tot half negen les in de vakken lezen, schrijven, rekenen, taal en kennis der natuur. Meisjes konden zich bovendien nog verder bekwamen in nuttige handwerken.

In 1907 waren er 124 leerlingen in Hasselo op school, terwijl er plaats was voor 120. De inspecteur wilde niet drie leerlingen op één bank. Dan maar banken proberen te lenen in Deurningen, bedacht Molendijk. Je vraagt je wel af hoe de klasse-indeling in die tijd geregeld was, 120 leerlingen in twee klaslokalen met drie leerkrachten.

In 1908 was echter de oplossing aanstaande. Op 29 mei van dat jaar kreeg te ’s-Gravenhage het bouwplan van architect Crone uit Oldenzaal voor de uitbreiding van de school zijn goedkeuring. Er kwamen een derde lokaal en nog wat andere noodzakelijke ruimtes. Misschien was de uitbreiding van de school voor Molendijk aanleiding om op 1 juni 1909 voor de leerlingen een schoolreisje te organiseren naar Borchert in De Lutte. Smithuis uit Hengelo kwam er aan te pas met één tramwagen, één brik en drie meubelwagens!

In datzelfde jaar was er een nieuwe derde leerkracht nodig. Het werd een full-time onderwijzeres, die toen ook de handwerklessen ging verzorgen. Op oude schoolfoto’s zien we achtereenvolgens de dames Kosterink en Aafting verschijnen.

Over de Eerste Wereldoorlog lezen we maar weinig in Molendijks correspondentie met de gemeente. In 1916 valt de term mobilisatie en is er van alles mis met de school: Molendijk heeft last van rook in het lokaal en Sogtoen krijgt te weinig licht, de linden zijn aan snoeien toe! Als in 1918 de school in Deurningen wordt gerestaureerd en vergroot, kan Hasselo misschien een flinke schoonmaakbeurt ondergaan, maar hoe komen ze aan zeep en soda! Of is er ‘Ersatz’, lezen we in een brief van Molendijk.

Na de oorlog bleef Molendijks aandacht uitgaan naar het herhalingsonderwijs, vooral voor meisjes en naar het landbouwonderwijs voor jongens (veeteeltkunde, plantenkunde, bemestingsleer en landbouwboekhouden, dit laatste op verzoek van de ABTB te Deurningen). Dit onderwijs viel niet onder de leerplicht.

Op 1 april 1921 gaat Johannes Molendijk met pensioen: hij is dan 65 jaar oud en meer dan 40 jaar hoofd der school in Hasselo geweest. Geen van zijn opvolgers zou hem op dit punt nog evenaren. Hij overlijdt op 5 september 1930 te Hasselo.

 

De bovenmeesters:

 

Roelofs, ln ’t Veld en twee maal Veldhuis Ondertussen was meester Molendijk als hoofd der school opgevolgd door weer een Twentse onderwijzer, Gerardus Johannes Roelofs. Hij was in Rossum geboren en daar was hij ook in 1921 als onderwijzer aan school, toen hij in Hasselo solliciteerde. Op 7-5-1925 trouwde hij met Marie Oude Vrielink uit Deurningen, een dochter van het hoofd van de school aldaar. Roelofs bleef ongeveer tien jaar lang het onderwijs in Hasselo aansturen en vertrok toen naar Hengelo om daar de leiding op zich te nemen van de nieuwe school in de ‘Noork’.

Meester Gerard in ’t Veld, geboortig uit Oldenzaal, nam rond 1930 het roer van de openbare Hasselose school over. In datzelfde jaar trad meester Sogtoen terug ten gunste van zijn dochter Marie. Banen waren toen in het onderwijs dun gezaaid.

De meeste leerlingen waren katholiek en het personeel ook. Volgens de onderwijswet van 1920 had de school toen al omgezet kunnen worden in een bijzondere school, een katholieke school, omdat de financiering vanaf 1920 gelijk was aan die van een openbare school. Maar de plannen van de toenmalige pastoor Gloerich strookten niet met de wensen van de Hasselose ouders. De pastoor wilde één school voor Deurningen, Hasselo en Gammelke, vlak bij de kerk in Deurningen, want dan konden de kinderen ‘s morgens eerst naar de mis. De Hasselose boeren weigerden hun eigen school prijs te geven en togen daarvoor zelfs naar de bisschop in Utrecht.

Alles bleef bij het oude. Pas in 1937, toen pastoor Galama, de opvolger van pastoor Gloerich, de Hasselose school wel wilde handhaven naast die in Deurningen, werd de openbare school omgezet in een katholieke en mocht er katholieke godsdienstles op school gegeven worden. De school in Hasselo kreeg de naam St. Bonifatiusschool.

Meester In ’t Veld, die elders in Twente zijn loopbaan ging voortzetten, werd in dat jaar als hoofd der school opgevolgd door Bernard Veldhuis. Deze was op 21 december 1908 te Enter geboren als zoon van een landbouwer. Vandaar zijn belangstelling voor de agrarische sector. Gewapend met bijna tien jaar ervaring aan de lagere school in Nijverdal en voorzien van allerlei landbouwaktes deed hij zijn intrede als hoofd der school in Hasselo. Veldhuis was een enthousiast onderwijsman. Hij probeerde van zijn school iets te maken: daarvoor moest hij het schoolverzuim terugdringen en het leerlingaantal op peil houden. Hij vond dat leerlingen niet alleen rekenen en taal moesten leren, maar ook levenskennis dienden op te doen. Jonge boeren wilde hij een goede basisopleiding geven en daarnaast in aanraking brengen met de nieuwste technische ontwikkelingen in de agrarische sector. Vandaar dat meester Veldhuis zich inzette voor de landbouwdagen in Weerselo. Bij feestelijke gebeurtenissen kon ook de plaatselijke gemeenschap op hem rekenen als voorzitter van het Oranjecomité. In de tijd dat hij uitzag naar een baan aan een lagere landbouwschool, sloeg het noodlot toe. Terwijl men voorbereidingen trof voor zijn zilveren ambtsjubileum, werd hij ernstig ziek. Na een half jaar van hoop en vrees, overleed hij op 11 oktober 1952 in het Academisch Ziekenhuis in Utrecht, 43 jaar oud. Dit kwam hard aan in Hasselo. Zijn vrouw keerde met hun vier jonge kinderen terug naar Nijverdal, waar ze in 1990 overleed. De taak van Bernard Veldhuis werd in 1953 overgenomen door zijn jongere broer Hans. Deze zag in 1922 het levenslicht, eveneens in Enter. Hij had al tien jaar als onderwijzer in Luttenberg gewerkt, toen hij als hoofd begon aan dat schitterend gelegen schooltje midden in de natuur, zoals hij het zelf verwoordde. In 1953 trouwde hij met Oda Geuzendam, die al in Hasselo als onderwijzeres aan school was. Na zes jaar, in 1959, dreef zijn agrarisch hart hem echter richting landbouwonderwijs en vertrok hij naar Borne (later Delden) om er de functie van hoofd/directeur van de lagere landbouwschool op zich te nemen.

 

Een ongelijke strijd voor de Bonifatiusschool

 

Johan Thijert nam in 1959 de leiding van de Hasselose school over. Hij was in Deurningen op het erve Reinink geboren en had onderwijservaring opgedaan in Hengelo. Aanvankelijk leek er geen kou aan de lucht in Hasselo. Thijert kreeg een school met vier leerkrachten onder zijn hoede en rond 1970 startte het bestuur nog een verbouwing van de school. Toch wachtte Johan Thijert door samenloop van omstandigheden een ondankbare taak. Het aantal kinderen op de Deurningerschool was in de zestiger jaren gestegen, vooral door de groei van het dorp Deurningen. Daar vestigden zich ook mensen die wel banden hadden met Deurningen, maar niet langer in de landbouw werkten. In Hasselo, dat vooral agrarisch georiënteerd bleef, daalde ineens het aantal leerlingen en de school kreeg het extra zwaar, toen het grootste deel van Hasselo op 1 januari 1972 aan de gemeente Hengelo werd toegevoegd voor de vestiging van een woonwijk. Vandaar dat de Bonifatiusschool op 1 januari 1973 terug moest van vier naar drie leerkrachten. Juffrouw Marie Sogtoen vond toen dat zij na ruim veertig jaar wel met pensioen kon gaan. Het bestuur van de scholen in Deurningen en Hasselo trad begin 1975 in overleg met de katholieke Schaepmanstichting in Hengelo. Het plan ontstond om de Bonifatius school in de nieuwe woonwijk uit te laten groeien tot één van de twee katholieke scholen die de Schaepmanstichting in de Hasseleres wilde vestigen. Het mooie plan werd kort daarop door het Hengelose schoolbestuur afgeblazen. Toen besloot het bestuur in Deurningen de school in Hasselo zelf te blijven leiden. Inmiddels was het leerlingenaantal er tot 60 teruggelopen: 47 in de drie hoogste klassen, 13 in klas één, twee en drie. Een dramatische ontwikkeling. Toch koesterde het kerk- schoolbestuur in Deurningen nog even de hoop de school met twee leerkrachten, meester Thijert en een onderwijzeres, te kunnen handhaven. De baan van meester Jan Dirkx bleek direct al in gevaar. Maar toen kwamen de ontwikkelingen in een stroomversnelling. Per 1 augustus 1976 zouden in Hasselo nog 47 leerlingen op school zijn, waarvan 4 in de eerste klas. In 1977 zou dit aantal al tot 30 teruggelopen zijn. Als gevolg van deze berekeningen viel in Deurningen het besluit de Bonifatiusschool per 1 augustus 1976 op te heffen. De ouders van de leerlingen kregen tot 1 juni 1976 de keuze hun kinderen op te geven voor de Willibrordusschool in Deurningen, toen al gelegen aan de Kerkstraat, of aan te melden op de per 1 september 1976 te openen katholieke school, de Schothorst, gelegen In de nieuwe woonwijk van Hengelo. Voor de heer Thijert zou het bestuur wachtgeld aanvragen bij het ministerie en voor de onderwijzeres mevrouw Leydekkers-Bonnes was er een plek als achtste leerkracht aan de Willibrordusschool in Deurningen. Daar zaten ze te wachten op toestemming voor de bouw van een achtste lokaal! De tegenstellingen konden niet groter zijn. Voor Jo Niks waren al deze ontwikkelingen aanleiding alle boerderijen rond de Hasseleres en ook de school te tekenen en te beschrijven.

 

Een zwanenzang

 

Als een zwanenzang, zo kun je de heldhaftige pogingen typeren die vanuit Deurningen, maar ook vanuit Hasselo zelf, ondernomen zijn om de in het verleden zo succesvolle Hasselose school te redden. Was het verwijderen van de kolossale linden vóór de school al een slecht voorteken geweest? Voorzag men in 1964 al zware storm uit het westen?

In 1756 was de markeschool bij de Craecke aan de Wiefferweg gesplitst in twee gelijkwaardige scholen: één voor Deurningen en Gammelke en één voor Hasselo. De school in Hasselo had zich in de loop der tijd goed ontwikkeld, maar wie kan er nu opboksen tegen ingrijpende sociale en economische veranderingen en vooral tegen explosieve bevolkingsgroei in de directe omgeving. Van de oude marke Hasselo was bij de gemeentelijke grenscorrectie in 1972 aan de oostrand nog een klein ‘schilletje’ over dat gemeente Weerselo bleef. De kinderen uit dat gebied verenigden zich in 1976 bij de opheffing van de Bonifatiusschool weer met Deurninger en Gammelker kinderen, van wie ze ooit in 1756 waren gescheiden. Samen met een aantal ‘Hengelose’ leerlingen, wier ouders voor een plattelandsschool gekozen hadden, meldden ze zich aan het begin van het nieuwe schooljaar op de Willibrordusschool in het dorp Deurningen. Het betekende het einde van ruim tweehonderd jaar Hasselose onderwijsgeschiedenis, die zich afgespeelde op zo’n karakteristieke plaats in een heel oud boerenlandschap.

Veel dank aan allen die materiaal hebben aangedragen of mij anderszins hebben ondersteund bij het schrijven van dit brok onderwijsverleden.

 

Annie Kamphuis-Aarninkhof

Reacties

afbeelding van Marlou Roeleveld-de Ligt, Sint ODilienberg Lb
Geweldig artikel, mevrouw Annie en zo mooi gedocumenteerd en geïllustreerd. Als secretaris van een heemkundevereniging in onze regio spreekt een dergelijk artikel me zeer aan. Maar ook vanwege privé-redenen. Ik ken Deurningen wel een beetje sinds ik er door mijn huwelijk met Johan Roeleveld uit Gammelke al sinds 1968 kom. We kwamen en vroeger en later met de kinderen wel iedere maand een weekend. Sinds Johan 5 jaar geleden is overleden kom ik er nog maar enkele keren per jaar maar ik blijf het een mooie omgeving vinden waar ik me goed thuis voel als Limburgse. De school van na de oorlog en meester Groothuis en juffrouw Sogtoen ken ik wel uit verhalen. Ik heb ook nog een mooie foto van de Hasseler school onder die prachtige kastanjeboom. Ik doe aan stamboomonderzoek en uw artikel ga ik zeker bewaren bij mijn verzamelingen. Hartelijke groet en bedankt, Marlou
afbeelding van johan molenbroek
Prachtigverhaal om te lezen; daar wordt ik blij van. ik woonde in Deurningen van 1951-1971 tot ik ging studeren. Ik zat op de Willibrordus school van 1957-1963 bij Jufrouw vd Aa, Meester Aarninkhof, Meester Hesselink en natuurlijk Meester Groothuis van wie ik de sleutel van de school kreeg en voor wie ik 's morgens de kachels in de school mocht aansteken en die vele boeiende verhalen over de oorlog vertelde en als beloning voor de assistentie een keer met ons naar Giethoorn ging. Ik ben erg geïnteresseerd in de geschiedenis en sinds ik met pensioen ben ook meer met de stamboom mijn familie Molenbroek die in Deurningen op het adres Dr 50(rond 1820) en daarna op Dr84 (vanaf 1850?) woonde (wellicht 2 verschillende plaatsen omdat ik op de kaart van 1850 geen gebouw zie op de plek dat nu Schalmedenweg 15 heet, dat achtereenvolgens Dr184 ,Hertmerstraat 184 en Schalmedenweg 15 werd. Over het ontstaan van Deurningen las ik in een Encyclopedie van rond 1900: Deuringen of Deurningen, dorp in Ov 4 uur lopen ZO van Almeloo, gemeente Weerseloo. In een ander boek waar mijn baas mee kwam: Deurningen werd rond 1300 voor het eerst genoemd als plaats waar veel doornen/deurnen voorkwamen. Uit die stamboom studie merk ik dat rond 1800 nog lang niet iedereen kon lezen en schrijven en in ieder geval mijn voorouders niet omdat ze de gemeente secretaris moesten vragen een handtekening te zetten. Ook viel me op dat toen Napoleon als toenmalige heerser rond 1812 elke familie vroeg een achternaam, en doopnamen op te geven in de burgerlijke stand, dat dat leidde tot allerlei begrijpelijke verbasteringen die hiermee samenhangen zoals de namen Meulenbroek, Molenbroek, Bolhaar, Nijhuis, Mollenbroek etc en dat binnen 1 gezin omdat het in twente gebruikelijk was en is? om ook genoemd te worden naar de boerderij waar je vandaan kwam. In mijn lagere school tijd was ik dan Johan van Martien zoals de boerderij van ons heette. Ik ben van plan nog een keer in de kerkregister proberen te kijken wat daar in staat rond die tijd en daarvoor.
afbeelding van hans van stralen
ik ben de achterkleinzoon van meester Van Stralen. Ik zou heel graag meer info over hem willen verkrijgen. is dat mogelijk? heel veel dank