Verhaal

Het onderwijs in Weerselo: de Stiftsschool

Auteur: 
Fennie Holter uit Oet de Boerschopn nr.120 Winter 2011

Om te beginnen een kleine inleiding over het onderwijs in het verleden, zoals ik die aantrof in het boek ‘De St. Aloysiusschool door de jaren heen’, dat verscheen bij het 75-jarig bestaan van de school.

Aan het begin van de 8e eeuw waren er al de eerste missieschooltjes, waar godsdienstonderwijs werd gegeven. Karel de Grote verplichtte omstreeks 800 zijn leenmannen om hofscholen te stichten in hun gebied voor kinderen van adellijke ouders, waar ze naast godsdienstonderwijs ook les kregen in lezen en schrijven. Na zijn onderwerping van de heidense Saksen moest volgens voorschrift van Paus Leo IV elke parochie over een school-geestelijke beschikken. Met de stichting van kloosters in ons land ontstonden kloosterschooltjes voor jongens van rijke ouders, die werden onderwezen in lezen, schrijven, rekenen, muziek, wis- en sterrenkunde, alles in het Latijn. Maar ook hier was godsdienst het belangrijkste vak.

In de middeleeuwen ontstonden de kapittels, waar de kanunniken, als belangrijkste taak, les gaven en na het vertrek van de Noormannen uit deze streken werd deze taak overgenomen door parochiescholen, waar les werd gegeven door pastoors of kapelaans, weer alleen voor jongens. Er was geen enkele structuur en ook geen leerplicht (die kwam pas in 1900). Maar aan het einde van de Middeleeuwen werden er al echte schoolmeesters benoemd aan wie eisen werden gesteld. Uit een oud handschrift: ‘Na older gewoonte plegt men eenen schoolmeester te zetten, eenen goeden en deugdzamen clerc, die zijn cantum (kerkgezang) wel kan ende opt orgel spelen na olde gewoonte’.

Vanaf de 14e eeuw, bij toegenomen nijverheid, ontstonden overal dorps-, stads- en bijscholen. Voortaan mochten niet alleen de kerken, maar ook stads- en dorpsbesturen scholen stichten.

De Stiftsschool

Ik begin mijn verhaal bij de Stiftsschool, die is de oudste. Over de oprichting is niets bekend. We moeten daarbij in aanmerking nemen dat veel van het Stiftsarchief over de eeuwen verloren is gegaan, waarschijnlijk door de vele veranderingen die in die gemeenschap hebben plaatsgevonden.

De vroegste vermelding stamt uit de 16e eeuw, toen een Juffer Anna Scheele van de havezathe Het Weleveld in de buurt van Zenderen opgenomen werd in het klooster van Weerselo om aldaar onderwijs te ontvangen. Zij was de oudste dochter van Christoffer Schele en Judit Ripperda op het huis Welvelde, ‘van kindsbeen af door haar ouders in godsvrucht opgevoed en vlijtig tot dagelijkse gebeden gehouden’, zo lezen wij in de Kroniek van Sweder Schele, haar broer. Al jong ging zij in de leer bij Juffer van Thie in Weerselo, waar zij behalve in godsdienstige vakken ook onderwezen werd in ‘kunstige handarbeit van neien end sticken’.

Oude brieven, gevonden door Henk Kollen

Uit het boek dat in 2001 is verschenen ter gelegenheid van de sluiting van de Stiftsschool, lezen we dat de heer Henk Kollen, amateur historicus en voormalig politieagent, in het Weerselose archief niets heeft kunnen vinden van de oprichting van de Stiftsschool. Zoals velen in Weerselo zich zullen herinneren, deed de heer Kollen veel onderzoek in het gemeentearchief, en hij publiceerde daar ook geregeld over, o.a. in ‘Het Beukske’, het parochie- en mededelingen blad van Weerselo. Maar door aanvullend archiefonderzoek (niet nader benoemd) samen met wijlen de heer Vrielink, voormalig president-kerkvoogd van de N.H. Stiftsgemeente en de heer Hans Roordink, directeur van de school, kwam hij twee brieven tegen van omstreeks 1750. De één van meester Albert Bomer (of Bemer, zie de lijst hieronder), die aan de Staten van Overijssel (het toenmalig bevoegd gezag) om een hulpschoolmeester vroeg, want het werd hem teveel, hij was namelijk al 80. Zijn verzoek werd niet ingewilligd. De tweede brief is van enkele boermannen uit de Marke Dulder, die uitgebreid is geciteerd in het artikel van Magda Nijland in het zomernummer van Oet de Boerschopn. Maar dat jaartal klopt niet, dat is later geweest. Verder wordt in een rekening uit 1671 van het rentambt Weerselo een weduwe Valkeneer genoemd, woonachtig in de Vicarie, wier man schoolmeester was geweest in de Stiftsschool.

Van datzelfde*) jaar 1676 heeft Gerrit Welberg mij een staatje toegestuurd, kennelijk een lijst met verschuldigde tractementen, waarin voorkomen Joannes Arsenius, Albert Bemer, Rutger Stroink, B. Kerkveld, Berend Wilmink.

*) dat jaar slaat kennelijk alleen op de eerste naam

Meesters van 1668 tot de 19e eeuw

Gerrit Welberg stuurde mij ook een lijst van de meesters van de school, voorzover bekend: 1668 Jannes Valkenaer, 1676 Joannes Arsenius, 1684 Albert Bemer, t/m 1721, en misschien nog langer (zie boven), 1729 Gerrit Nijkamp, schoolmeester en voorzanger, daarna enige jaren geen gegevens, 1771 Rutger Stroink, schoolmeester en custos (koster), 1777 B. Kerkveld, 1785 Berend Wilmink, nog in 1815 meester in Weerselo, 1821 Gerrit Wilmink, 24 jaar, ondermeester in Weerselo, doet in dat jaar examen en heeft daarbij de 3e rang behouden, 1821 Harm Haverkotte, 19 jaar, kwekeling in Weerselo, examen gedaan, geen rang verkregen.

Twee jaar lesgeven zonder loon

Ik ga nu verder met de naspeuringen van de heer Kollen in de notulen van de gemeenteraad. 25 september 1818, een schrijven van meester B. Wilmink die in beroep was gegaan bij de rechter van het Landgericht Oldenzaal daar hij voor de jaren 1810 en 1811 nog steeds geen tractement had ontvangen. Ik citeer de heer Kollen: ‘Waar de goede man in die twee magere jaren van geleefd heeft is ons een groot raadsel. We mogen veronderstellen dat genoemde leerkracht in die benauwde jaren minstens drie à vier talen zal hebben gesproken van honger en ellende’. Waarschijnlijk is de overgang naar de regels van de Franse tijd debet geweest aan dit verzuim.

Onleesbaar ambtelijk taalgebruik

In 1826 werd aan meester B. Wilmink eervol ontslag verleend. Op 30 november van dat jaar volgde de benoeming van meester Gerrit Wilmink. Het is aardig om te lezen hoe dat ambtelijk werd omschreven. ‘De Burgemeester de vergadering wettelijkgeconvoceerd hebbend, dezelve te kennen gegeven dat tengevolgevan het vergelijkend examen tot de vacante post van schoolonderwijzer op het Stift in de buurtschap Weerselo en de 3e oktober ten overstaan van eene commissie uit het gemeentebestuur en van den Heere Schoolopziener in het 4e district en door Zijne Exc, de Minister van Binnenlandse Zakenbij Besluit van de 5e november1826 , bij Missive van Zijne Exc. De Heere Gouverneur, den 11de november 1826 ter kennis van het gemeentebestuur gebragt dat autorisatie was verleend tot het benoemen en aanstellen van den kandidaat Gerrit Wilmink, thans fungerend schoolonderwijzer te Weerselo en bezittende den derden rang. Tevens dat is goed gevonden te benoemen en aan te stellen den persoon van Gerrit Wilmink op een tractement van 400 gulden ’s jaars en emolumenten aan dien Post verknogt’.

Het is in onze ogen grappig te zien het soms willekeurig gebruik van hoofdletters, het niet altijd consequent gebruik van de naamvals-n, de half afgemaakte zinnen, en het is toch allemaal wel heel omslachtig. Nou is dat heden ten dage ook nog wel vaak zo, en het is nog maar recent dat er is beslotenom de ambtelijke taal beter leesbaar te maken voor de gewone burger!

                                                                                                                                                                                           

Geen ‘tapperij’ drijven, niet vloeken,niet ‘vuilspreken’

Intussen hebben we het nog niet gehad over de opdracht die de onderwijzers van overheidswege meekregen hoe ze het onderwijs moesten inrichten. Na de vrede van Münster kregen de Protestanten in ons land het officieel voor het zeggen. Provinciale Staten moesten schoolreglementen opstellen die gebaseerd waren op de beginselen van de Dordtse Synode, die gehouden was in 1619. Het onderwijs werd in deze streken aangestuurd door de Classis Deventer, onderwijzers moesten ‘tot de ware Gereformeerde Kerke Christi’ behoren en de Heidelbergse Catechismus kunnen onderwijzen. Ze mochten geen ‘tapperij’ drijven, niet vloeken en ‘vuilspreken’. Het officiële standpunt van de overheid was dat ‘de schooldienst één der voornaamste middelen is om te ontwaken uit de onwetenschappeijkheijt des pausdoms tot kennisse der waarheit’. Die onderwijzers hebben het hier in Twente niet makkelijk gehad, ze kregen veel tegenwerking uit de gezinnen en je kan je afvragen of de kinderen veel geleerd hebben in die jaren.

Een lange schoolstrijd

Er werd wel vaak opgetreden tegen clandestiene missen die werden bediend door geestelijken van vlak over de grens, men kon dus niet ongehinderd ter kerke gaan, maar over ’t geheel is de streek aardig katholiek gebleven. Tegen het einde van de 19e eeuw veranderde het klimaat geleidelijk, het is bekend dat er al weer kerkschuren gedoogd werden. En met de komst van de Fransen kwam er totale godsdienstvrijheid. Een belangrijk principe werd: scheiding van Kerk en Staat. Zo kwam er een einde aan de grote invloed van de Geformeerde Kerk en de betekenis van het godsdienstonderwijs, dit onderwijs werd zelfs geheel verbannen van de scholen, en dit was natuurlijk weer tegen het zere been van alle gezindten, protestanten, katholieken en joden. Het werd het begin van een lange schoolstrijd, die uiteindelijk heeft geresulteerd in de Wet op het Bijzonder Onderwijs. Maar dan zijn we al een heel eind verder, en we waren nog niet klaar met de Stiftsschool.

Lesgeven was zwaar en geen vetpot

We waren gebleven bij meester G. Wilmink die in 1826 werd aangesteld. Er waren op dat moment ruim 125 leerlingen in 2 lokalen. Het werk was zwaar, voortdurend je aandacht verdelen. Af en toe kwam er een kwekeling in de wintermaanden, wanneer er de meeste kinderen waren. In de zomermaanden bleven velen namelijk thuis om te helpen op de boerderij. Het salaris werd verhoogd tot ƒ 400,--, maar het was nog geen vetpot, want in 1840 vroeg de meester een dag verlof om een koe te gaan kopen in Rijssen. Tussen 1825 en 1846 kregen onderwijzers er een toeslag bij voor het onderhoud van de school, ƒ 20,-- per jaar. Meester Wilmink bleef tot 1846, waarna meester M. Hoogers het van hem overnam. Hij had dezelfde problemen als zijn voorganger, te grote klassen, geen hulp en hij was daarnaast ook nog koster. Het traktement was verhoogd tot ƒ 700,--. In 1887 nam hij afscheid, hij vond zichzelf te oud. Elk afscheid ging steeds met stille trom, de gemeente schonk daar verder geen aandacht aan, geen bedankje, niks.

Hulp van de schoolopziener

Toen kwam er hulp uit officiële hoek. De schoolopziener liet de gemeente weten dat het traktement omhoog moest, naar ƒ 800. De gemeente was kennelijk onwillig, want de schoolopziener dreigde met inschakelen van Gedeputeerde Staten.

In 1888 trad J. Terra uit Leeuwarden aan als onderwijzer/schoolhoofd. Zoals vele anderen kon hij geen woning vinden, een veel voorkomend probleem in die tijd. Hij kreeg assistentie van J. Bijen uit Weerselo, hulponderwijzer, en kreeg verder nog hulp van M.J. Lauöt uit Ootmarsum. Hij bleef maar twee jaar, vertrok naar Denekamp. J. Bijen bleef zolang het werk voortzetten, tot in oktober 1891 meester W. J. Nagelgast uit Groningen ten tonele verscheen. 0ok voor hem was er geen huis, hij wilde wel graag in Ootmarsum gaan wonen en dan met de ‘velocipede’ naar school komen, maar dat mocht niet. Na een tijdelijk onderdak aan de Beltstraat vond hij een passende woning in de houtvesterij. Hij verdiende ƒ 700,-- plus ƒ 100,-- woonvergoeding​​​​​​​.

Dwarsliggende werkvrouw

De school werd verbouwd in 1891 tot een gebouw met twee (vreemd, volgens eerdere verhalen waren die er al) lokalen en de ramen werden vergroot. Ook moesten op advies van de schoolopziener de privaten buiten de klassen worden gesitueerd (!). Er kwamen twee leerkrachten bij, want de school had intussen 130 leerlingen. Voorschriften voor het hoofd der school: Het hoofd moet de schoolkachels verzorgen en zelf brandstoffen en petroleum inslaan, dit laatste voor de verlichting, en hij ontvangt daarvoor ƒ 40,-- per kachel per jaar. Hij moet ook zelf een schoonmaakster zoeken. Het viel kennelijk niet altijd mee met het personeel. Ter illustratie een briefje van een werkvrouw: ‘Mijnheer ik diende u te berigten alsdat ik heden de schole voor het laast hep schoongemaakt daar wij het jaaren heben gedaan voor veel te weinig geld maar hier niet het minste aanmerking heben gehad of het was goed om hierover stankjes te ontvangen van het hooft daar bedank ik voor hier ga ik einigen mij noemende uwe dienaarest n.n.’ In 1901 werd er nog een lokaal toegevoegd, in verband daarmee werd G. ter Ellen aangenomen, die er maar kort is geweest, en na hem kwam meester Joh. Helthuis uit Oldenzaal.

In WO I werd het moeilijk om aan brandstof en petroleum te komen. Bovendien kwamen in de laatste maanden van 1918 Belgische vluchtelingen naar Weerselo, die in de Stiftskerk werden ondergebracht en 67 personen in de school, waardoor er enige maanden geen lessen waren.

Heideplaggen voor notoire bengels

Direct na de oorlog, in 1920, trad de Wet op het Bijzonder Onderwijs in werking, waardoor er een r.k.-school in Weerselo kon worden gevestigd. Hierover later in dit artikel meer. Het gevolg voor de Stiftsschool was dat het leerlingenaantal daalde naar 24 kinderen, waardoor het onderwijs daar gereorganiseerd moest worden. Er bleef maar één onderwijzer over en het aantal lokalen kon worden teruggebracht naar één. Meester J. Bijen werd overgeplaatst naar de school in Dulder.

Meester Nagelgast ging in 1924 met pensioen, hij was de eerste van wie officieel afscheid werd genomen. Hij was een goede onderwijzer, er waren ten tijde van het verschijnen van het boekje over de school, in 2001, nog mensen die hem gekend hadden. Hij was streng, strafte ook wel met de aanwijsstok, maar ondeugende jongens die de bui soms al zagen hangen, zorgden dat ze een heideplag in hun broek hadden zodat de kastijding niet zo hard aankwam Dit zelfde verhaal heb ik trouwens ook bij de Aloysiusschool gelezen, dit zal wel algemeen gebruik zijn geweest bij notoire bengels.

Op 15 september 1924 maakte meester G.J.H. in het Veld uit Oldenzaal zijn opwachting, die bleef tot 1 jan. 1929, om naar de openbare school in Hasselo te vertrekken, en daarna kwam in mei meester P. de Jong, uit Hellendoorn.

De lokalen die buiten gebruik waren gesteld, werden verhuurd aan het G.E.B., (later aan de IJsselcentrale) die er een werkplaats hadden en er hun bedrijfswagen stalden. Dat heeft geduurd tot 1976, toen bij een grote opknapbeurt de lokalen weer bij de school werden gevoegd.

Meester De Jong hield het hier wat langer vol dan vele anderen, hij ging op 16 nov. 1958 met pensioen, en werd op die datum opgevolgd door meester A.J.H. Bechger, tot 1 mei 1964. Zijn opvolger was meester H.K. Voskuylen. Wanneer deze laatste precies is vertrokken wordt niet vermeld, ik weet alleen dat, toen wij in 1974 in Weerselo kwamen wonen en informeerden naar scholen voor onze dochter, er op de Stiftsschool geen onderwijzer was. En dat in dat jaar Hans Roordink aantrad. Kort daarna, in 1976, werd het historische gebouw gerestaureerd. De ontsierende grote deuren in de oostgevel werden verwijderd en de vrijgekomen ruimte werd weer als lokalen ingericht. Het gebouw was nu weer een sieraad voor het inmiddels tot Beschermd Dorpsgezicht gepromoveerde Stift.

Een nieuwe bloeiperiode

De school begon aan een nieuwe bloeiperiode. Er waren weer twee lokalen, het oostelijke voor lesgeven, het andere voor creatieve vakken en als overloop voor lessen, en er kwam een geheel nieuwe inventaris. Er waren nog 11 leerlingen, maar dat aantal groeide gestaag tot 21 in het leerjaar ’84/’85. De school was ook populair bij sommige katholieke ouders, kinderen die niet zo goed konden meekomen op de grotere katholieke school kregen hier meer aandacht. Er kwam een vakleerkracht voor handenarbeid, mevr. Koorneef.

Problemen slechts tijdelijk afgewend

In 1985 kwamen er problemen. Toen was namelijk de Wet op het Basisonderwijs in werking getreden, waardoor er ook kleuteronderwijs moest worden aangeboden. De gemeente vreesde dat door allerlei omstandigheden het Openbaar Onderwijs veel te duur zou worden en overwoog de beide basisscholen samen te voegen. Er kwam een storm van protest, waardoor de gemeente besloot de situatie te handhaven mits er voldoende geld kwam om het openbaar onderwijs in stand te houden. Gedeputeerde Staten zeiden dat het niet aan de gemeente was om voorwaarden te stellen en vernietigde dat besluit, waarop de gemeente bij de Kroon in beroep ging. De Kroon besliste dat de provincie gelijk had, waardoor de gemeente geen andere keus had dan de school zonder voorwaarden in stand te houden. Er brak een drukke tijd aan, want alles voor een tweeklassige school, onder- en bovenbouw, moest op korte termijn worden geregeld. Mevr. Bilman werd juf voor de onderbouw. Omdat een basisschool meer formatietaken kreeg, namelijk ook voor de directeur en adv-uren , moest er nog een leerkracht bijkomen en dat werd mevr. van de Weij (mevr. Koorneef was toen al een poos met pensioen). Bovendien op tijdelijke basis nog een leerkracht om te zorgen dat meester Roordink de handen vrij had om alle klussen te klaren die komen kijken bij de invoering van de basisschool. Omdat een basisschool meer ruimte nodig heeft dan de voormalige lagere school, werd een noodlokaal geplaatst naast de school, dat de naam ‘De Eikeldop’ kreeg.

Tussen 1985 en 1992 steeg het aantal leerlingen naar 36, er werd zelfs nog een vierde leerkracht aangenomen, mevr. Rutgers. De opheffingsnorm was echter gestegen naar 32, en daar het aantal leerlingen geleidelijk terug begon te lopen, kreeg de gemeente het benauwd.

Het bleef bij plannen om de school in stand te houden

Er werden plannen overwogen om de school toch in stand te houden. Eén mogelijkheid was toenadering zoeken tot de openbare M.L. Kingschool in Denekamp. Een andere: de school weghalen van het Stift, ook al omdat sommige ouders het bezwaarlijk vonden dat hun kinderen de drukke doorgaande weg moesten oversteken. Het Hoikinck kwam in beeld, maar doordat er eerst een extern bureau naar moest kijken, was intussen die lokatie verhuurd aan anderen. Toen werd er overwogen om de twee scholen in één gebouw onder te brengen en de Aloysiusschool daartoe uit te breiden. Het enthousiasme was niet groot, en omdat het allemaal zo lang duurde, er ook al enkele ouders waren verhuisd naar elders en er ook geen reclame gemaakt kon worden voor een openbare school onder deze onzekere omstandigheden, zakte het aantal leerlingen tot twee! Daarmee was het lot van de Stiftsschool bezegeld. Omdat de Rijksbegroting nog doorging tot het eind van het schooljaar 2001, en ook in verband met de opzegtermijn van de leerkrachten, werd er tot 22 juni 2001 nog les gegeven aan twee, en even nog aan drie leerlingen.

Zoals velen van onze lezers wel zullen weten, is het gebouw aangekocht door een stichting van de N.H. kerk, die er een ontmoetings- en vergadercentrum heeft ingericht, waardoor in het Stiftshuis ruimte vrij kwam voor de inrichting van een complete woning. En een belangrijk monument behouden bleef voor Weerselo’s ‘eigen volk’.

Reacties