Verhaal

Het erve Brunink Hasselo

Auteur: 
Jo Niks (1977) met bewerking van Bert Wolbert uit Oet de Boerschopn nr.83 Herfst 2002

Het Erve Brunink

 

De oudste gegevens die ons van het erve in de marke Hasselo bekend zijn dateren van het jaar 1385. In het manuaal (dagregister of journaal) van de rentmeester van Twente van dat jaar zien we dat het erve Bruininck via deze rentmeester zijn tienden (belasting) moet betalen aan de bisschop Florens van Wevelichoven van Utrecht. Hieruit btijkt dat deze bisschop de eigenaar van voorgenoemd erve is. De bisschoppen van Utrecht bezaten sinds de middeleeuwen het landsheerlijk recht over Twente, Salland en Vollenhove, het gebied dat de naam Oversticht had gekregen. In deze tijd waren de bisschoppen, meestal door aankoop, eigenaar geworden van meerdere boerderijen. Deze eigendommen moesten zij ook beschermen. Omdat bisschop Hendrik van Beijeren zich daartoe geen kans meer zag, gaf hij in 1528 zijn bezittingen aan Karel V; waardoor deze staatsbezit werden. Karel V deed op 25 oktober 1555 afstand van zijn regering. Hij gaf al zijn waardigheden over aan zijn zoon Philips II.

Deze gebeurtenis, die te Brussel plaats vond, werd door alle Nederlandse gewesten, behalve Overijssel, bijgewoond. Toen dan op 26 juli 1581 Philips tI door alle gewesten afgezworen werd (in feite had Overijssel dat in 1555 gedaan), betekende dit, dat de eigendommen van Philips II in de gewesten, provinciale (ook genoemd dominiale) bezittingen geworden waren. De provincie heeft meer dan 240 iaren bemoeienis gehad met de erven, totdat in 1828 zij hiervan afstand deden. De bewoners die toen de erven bewoonden konden deze kopen. De toenmalige bewoners van het erve Bruinink werden op deze wijze eigenaar.

Het erve Brunink was in de 14e eeuw al een gewaard erve van de marke Hasselo en het had daardoor recht op ínspraak op de marken vergaderingen. In het schattingsregister van 1475 betaalt het erve aan belasting “2 schilt of 3 golden Rijnsche guldens.”(Een schilt is een muntstuk ter waarde van 30 stuivers.)

In het oud archief van Doesburg is een oorkonde van 1484 aanwezig, waarin wordt verhaald over de horigheid van het erve Brunink te Hasselo.Het request geeft het volgende weer: '1484 Januari ( op den avent Conversionis Paul) Reyneken Schulte, ambtman van Mr. Vincensius van Eyl, proost der kerk van Oldenzale, ontslaat Styne Brunynck dochter van Gheerd en Bele Brunynck, geboren van Brunynck te Haselo in het Kerspel Oldensale, uit de hoorigheid aan de proosdy,van genoemde kerk tegen betalinge van eene geldsom en tegen inruiling van den vriejen Ludeken, zoon ven Johan en Fenne Aernyrckhove te Hasselo, in dien stand'

Het erve Brunink in Hasselo was een erf dat hofhorig was aan de proostdij van Oldenzaal. De bewoners van dit erf moesten, gelijk dehorigen op de andere erven, eenmaal per jaar op de hoofdhof verschijnen en hun horigheid bekennen. Deze aanwezigheid op de 'Hofdag' hield o.a.in dat zij daar hun cynsen (belasting) moesten betalen. Zij moesten daar verschijnen 'mit wijf en kinderen' en kregen daar hun verplichtingen van de hofmeier te horen. In het hofboek van de proostdij van 16 maart 1695 vinden we onderstaande familieopgave:

Bruininck, een weduwe, heeft ses kinderen.

- het olste genaemt Roloff, olt omtrent 18 jaeren,

- het 2e genaemt Geert, olt omtrent 15 jaeren,

- het 3e genaemt Lucas, olt omftent 12 jaeren,

- het 4e genaemt Ja, oh omtrent 9 jaeren,

- het 5e genaemt Greete, alt omtrent 7 jaeren,

- het 6e genaemt Geestien, olt omtrent 5 jaeren,

en neemt voor vrie(vrij) de kinderen Greete en Geert.

Deze laatste twee kinderen waren hofvrij. Zij waren vrijgekocht door het betalen van een som geld, wat in de tweede helft van de 17e eeuw mogelijk was geworden. In het request van 1484 zien we dat Styne Bruininck wordt vrijgekocht - mogelijk om met een vrije te kunnen trouwen - daarvoor moest een somme geld betaald worden en moest er een wije wedergewisseld worden. (Luddeke Aernynckhove)Er valt over de horigheid nog veel te schrijven.

In 1602 bezit het erve 4 paarden (de meeste in de marke) en tevens 2 varkens. In1675 wonen op dit erve 3 personen ouder dan 16 jaar. In demarke Hasselo zijn dan 23 bewoonde huizen met in totaal 58 personen boven de 16 jaar. Hieruit blijkt dat de marke niet dicht is bevolkt. Een van de middelen van de Staat om geld in de staatsschatkist te kijgen, was het heffen van belasting op elke stookgelegenheid die een huis bezat. Deze heffïng noemt men het vuurstedengeld en de gegevens zijn te vinden in het vuurstedenregister. De bewoners van Brunink betalen in 1675 belasting voor I schoorsteen en 1 oven. Behalve Brunink waren er in de marke Hasselo nog 4 boerderijen (Tijert, Hoffsteden Rouwe en Loese (Leusink)) die naast een stookgelegenheid nog een oven bezaten.

Bij de volkstelling van 1748 zien we dat Roelof Bruinink met ziin vrouw Grete, twee zonen Jan en Roelof ouder dan 10 jaar, en een oude moederAnna, de knecht Roelof en de meid Ale het erf bewonen.

Tijdens een gerigte gehouden den 23 April 1760 compareert (verschijnt) Jan Bouwhuis en meldt dat hij veertien dagen voor Paaschen door Roelof Bruinink zijn hond gebeten is. De rigter vindt het een kleine zaak, maar als hij op 11 Juny daarna tot een conclusie komt, geeft hij te kennen er nog een keer en wel op 20 Juni met een decreet op terug te komen.

Hei decreet ziet er als volgt uit:

Het gerigte hebbende gehoort Jan Bouwhuís, eischende dat Roelof Bruinink wegens geleden schade, pijn, smerte en meesterloon ses guldens en twee stuivers, ter sake deese sijn hond hem in de hand sou gebeten hebben en geexamineerd (onderzocht) hebbende de aan sijden van den aanlegger overgegeven documenten verstaat na verhoor van partiene examinatie van stucken met assumtie (aanneming) van de ondergestelde regtsgepromoveerde, dat wanner den gedaagde Roelof Bruinink zijn vrouw en oudsten zoon met eede verklaren niet te weeten, dat haar hond den aanlegger Jan Bouwhuis in de hand gebeten geeft, den gedaagde van des aanleggers eisch gehoorde te worden geabsolveert (vrijgesteld), den gedaagde daar van absolveerende bij deesen met compensatie van kosten. Edog bij verweigeringe van den operlegten eed den gedaagde condemneerende om de geeiste ses gulden en twee stuivers aan den aanlegger op te leggen en te betalen. als mede de kosten van dit decreet. edog de overige compenseerende. Aldus gedecreteert bij mij ondergestelde den 20 Juny 1760. F.C.W. Ruhlein dr.

De boer Bruinink hield blijkbaar niet van betalen, want in de verslagen van het landgericht lezen we:

Den 20 November I771: Den Heere Droste van Twente hebbende doen citeren Bruinlnk uit Hasselo, om betalinge te doen van een jaarlijkse Drostenhoen en wel voor het jaar 177l, alsmede de kosten wegens zijn verweigeringe daarover gevallen. Hierop Bruinink uií Hasselo gecompareert, heeft aangenomen het geëiste hoen te betalen, met de kosten daar over gevallen.

Uit de volkstelling van 1795 blijkt dat op de boerderij Gerrit Jan met vrouw Hermina Pol met totaal zeven personen woont. Op het erf staatdan waarschijnlfk een wönnerhoes (kleine woning), bewoond door Jannes Olde Brunink met nog drie personen.

Wanneer een boer in de l8e eeuw hout nodig heeft om een nieuwe schuur te bouwen of zijn huis wil herstellen dan moet hij, om hout hiervoor tekrijgen  een verzoek sturen aan de Ridderschap van Overijssel. Volgens een request van 1778 vraagt Jan Bruinink in Hasselo het nodige hout voor de volgende reparaties:

1- eenige planken om de boesem von de schoorsteen en om deselve op

de zolder tot voorkoming van brand;

2- Een nieuwe putte post;

3- Een paar wiepen, ieder ter lengte van 20 voet tegen de huísspooren

en eníg grondhout;

4- Een brugge tot supplement eigen gebruik over de bekke bij zijn huis.

Uit deze vragen blijkt duidelijk dat men zuinig op hout moest zijn.

Tijdens de zomer van 1803 heeft de Marke besloten een aantal dennebomen te houwen bij Mannes Bekkers in Hasselo, welke kosten over de gezamenlijke boeren omgeslagen zijnde, voor elk volle boer 1 gulden en 15 stuiver bedraagt. Zo ook voor Gerrit Jan Bruinink. Deze Gerrit Jan kwam van het erve Hofstede en was 23 mei 1793 met Geertrui Brunink getrouwd. Vanaf die tijd is het erf bekend als Hofstede-  Brunink. De bewoners hielden de naam 'Brunink' en dat is zo gebleven tot Bernardus M. op 11 januari 1965 is overleden. Van mei 1958 tot mei1959 heeft de familie Baak uit Eibergen op de boerderij gewoond en vanaf oktober 1959 tot eind 1975 heeft Gerhardus J. Morsink met zijngezin deze boererij als woon- en werkruimte benut.

Jo Niks. 1977

bewerking: Bert Wolbert.

Reacties

Onderdeel van het thema: