Verhaal

Het erf Moleman in Dulder

Auteur: 
Gerrit Welberg in Oet de Boerschopn 2009 nr.3 Herfst

Het erf Moleman in Dulder

 In het verpondingsregister van Twente van 1601 is het erf genoemd onder nr. 320 als Molleman.

Het huidige postadres is Beekdorpweg 18 in Weerselo. De naam Moleman komt in Dulder niet in het schattingsregister van 1475 voor. Echter 77 jaar later laat ene Lutgerdt Wijlmers beschrijven dat zij al haar goed dat zij zal nalaten, vermaakt aan de Stiftsjufferen van Weerselo. De Stiftsjufferen staan haar daarom toe met Lambert ter Mollen samen te wonen op 'het kot ter Moelen'. Nu wil het geval dat in het genoemde sehattingsregister van 1475 in de marke Dulder wel sprake is van een 'scriversmole, is en kathe'. Het is wel erg voor de hand liggend om te veronderstellen dat de in 1475 als kate genoemde 'Scriversrmolle' hetzelfde is als 'het kot ter Moelen' uit 1552, Als deze veronderstelling juist is dan bestaat Moleman dus zeker al in het jaar 1475.

 

De naam Moleman

Met het vorenstaande is het niet zo moeilijk meer om de oorsprong van de naam te verklaren. We hebben dus misschien te maken met een molen die in latere tijd met de wisselende namen in de oude registers voorkomt als Molleman, Mulleman, ter Meulen e.d. De naam 'scriversmole'stelt ons nog voor een raadsel. Het middelnederlandse woord 'scribe'verwijst naar het zelfstandig naamwoord Schriftgeleerde. Zau 'scrive'misschien iets met schrijven hebben uit te staan? In dat geval zou de naam misschien kunnen duiden op een papiermolen.

 

Het erf Moleman en haar eigenaren

In het lentenummer van dit periodiek is toegelicht langs welke weg de Stiftserven een staatsbezit zijn geworden en in 1812 publiek zijn geveild. in de verkoopakte van het erf Moleman van dat jaar is vermeld dat het erf door Gerrit Bos wordt gebruikt terwijl als koper de bouwman Gerrit Meulman wordt genoemd. Gerrit Bos was afkomstig uit Beuningen en was in 1798 op het erf ingetrouwd met Janna Molman. Hij ging dus verder als Gerrit Molleman door het leven. Als het kadaster in 1832 operationeel wordt zien we Lambertus Moleman als eigenaar geregistreerd.

Bewoners Alie opvolgende bewoners, zo ze al bekend zijn, kunnen hier niet genoemd worden. De oudst bekende bewoners kwamen hiervoor al ter sprake. Bij een inventarisatie van de Stiftsboerderijen in 1642 wordt een Lubbert Ter Meulen als meier genoemd. De volkstelling van 1748 geeft Lambert Moiman en Ale als bewonersechtpaar. In 1789 is het Jan en Geeze die een pachtbrief ontvangen en in 1812 zagen we Gerrit Bos of Molleman als bouwman en koper van het erf. De kadasterregisters geven in 1832 Lambertus Moleman als eigenaar die tevens de bewoner van het erf was. Zoals we hiervoor zagen werd in i896 de familienaam Scholten op het erf gevestigd. Inmiddels wordt het erf door de 3e generatie Scholten bewoond. Het is Antoon Scholten, gehuwd met Joke de Wit.

 

1601

Voor 'Molleman' is het volgende genoteerd: '2 mudde boulanï, gifft Werssel de gerve, hefft 1/2 dach hoylant'. Samen ca. 1,9 ha.' Erg weinig vergeleken met andere erven. Een reden temeer om te veronderstellen dat de nadruk van de bedrijfsvoering lag op het molenaarswerk dat én zijn tijd vroeg én natuurlijk voor de inkomsten zorgde.

 

De registratie van 1642

ln 1642 werden maar 4 perceeltjes grond genoemd die bij het erfje hoorden. De totale oppervlakte is dan ook nog geen I ha. Groot. Jaarlijks moest aan pacht 1 1/2 mud gerst geleverd worden. Aan geldwaarde werd het op zes gulden gerekend. Het grondareaal is bijna de helft vergeleken met de opgave van 1601. Misschien geleden onder het oorlogsgeweld? Van groenland is in deze opgave geen sprake of het is niet meegeteld, iets wat bij de meeste erven wel het geval is.

 

Verzoek

In 1712 verzocht Lubbert Molleman zijn pacht in geld om te mogen zetten in een pacht op de 'garve '. Dat betekende dat één van de drie garven aan graan als pacht aan de Ridderschap afgestaan moest worden. Een pachtvorm die in 1601 al gebruikelijk was. Een jaar eerder had hij al verzocht om de pachtverhoging in 1698 met 13 gld. en 5 st. weer te niet te doen. Net ais in l711 besloot de Ridderschap dat ondanks dat het een klein bedrijf met slecht land was in dit verzoek 'Niet kan worden getreden'.

 

Het hout op het erf

Het hoeft geen betoog wat de betekenis was en is van het hout voor de mensen. In het markebestel werd van oudsher nauwlettend toegezien op gebruik en instandhouding van het hout. Oorlogsomstandigheden waren vaak reden dat het houtgewas verwaarioosd werd. Dat wordt duidelijk als we de eerste zin in het markeboek van Dulder lezen uit 1647: Alsoo dagelijcks gespeurt wordt dat het holt in die marcke Dulder van die huijsluijden hoe langer hoe meerder wort verhouwen ende vernielt, tot merckelijcke ruijne ende íotale onderganck derselve Marcke'. Daar werd natuurlijk wat aan gedaan want de oorlog liep op zijn einde. Maar ook de Ridderschapserven werd gelast om hout aan te planten. Waar het markehout vooral voor gebruik van de markebewoners diende daar werd het hout op de ridderschapserven vooral te gelde gemaakt voor de eigen portemonnee van de adel. Al was het maar voor de verkoop of voor de bouw van de VOC schepen. ïn deze organisatie had men immers ook belangen! In 1663 al werden er op de stifsgoederen 894 stammen gekapt die 6985 daalder opbrachten. In de loop van de 18" eeuw zijn registers aangelegd waarin men kan zien hoeveel telgen op de ridderschapserven in verschillende jaren zijn gepoot. Op het erf Moleman waren dat er tussen de jaren 1713 en 1782 twee en negentig. Het betrof dan in het algemeen eikenbomen. Dat veel Twentse hoeven dikwijls verscholen liggen in zwaar eikenhout zal hier zijn oorsprong hebben.

 

De huldige tijd

De vroegere 'katerstede' groeide uit tot een behoorlijk groot gemengd bedrijf. Vanaf de jaren 60-70 werd steeds meer de nadruk op het melkvee gelegd. Verschillende overwegingen hebben voor Antoon en Joke geleid tot het besluit om her boerenbedrijf te beeindigen en om er voor te kiezen hun prachtig gelegen erf geschikt te maken voor de mensen die van de rust in het Beekdorp willen genieten. Zij maakten gebruik van de mogelijkheden die het 'kamperen bij de boer' hen bood. In 1990 werd het boerenhuis vervangen door een riante woning en werd een van de stallen ingericht als recreatiezaal met passende voorzieningen die een goed geoutilleerde camping vereist.

Als je aankomt bij het erf vraag je je af waar dan toch wel de camping is. Maar dat wordt duidelijk als je door Joke en Antoon wordt rondgeleid. Volkomen beschut door houtwallen ligt daar, via een niet zo'n brede toegang, plotseling een prachtig groot grasveld voor je, met aan de rand de royale plaatsen voor de gasten. De bijzondere positieve reacties van de gasten over hun verblijf op 'Erve Molman via de site www.ervemolman.nl zijn dan ook erg begrijpelijk.

 

Nogmaals de watermolen

In het gesprek met Joke en Antoon over de historie van het erf komt ook de watermolen nog ter sprake. En dan biijkt de overlevering zijn werk te doen! Antoon kon zich namelijk herinneren dat zijn vader gesproken had over zware houten 'pöste' (palen) die bij graafwerk, zo tegen de voormalig loop van de beek die vóór het rechtmaken daarvan vlak achter het erf liep, te voorschijn waren gekomen. "Zij moeten nog steeds in de grond zitten" aldus Antoon. Daaruit mag toch geconcludeerd worden dat hier zeker een watermolen gestaan heeft, en misschien wel de in 1475 genoemde 'scriversmole'. Bovendien wijst Joke me nog op een regest van een van de 'erff und lyftuchtzbrieve'uit 1543 van het Stift Weerselo. ïn die brief wordt beschreven dat de priorin van Weerselo aan Werner ter Mollen 'haar ambtman' en Geese zijn huisvrouw 4 mud winterrogge per jaar verkoopt uit de erven de Olde Weme en Nije Weme in het kerspel Weerselo. Het blijft natuurlijk gissen maar als die Werner nu toevallig ook nog de bewoner van de veronderstelde molen is en hij heeft de capaciteit om rentmeester (ambtman) van het Stift te zijn dan zal hem het schrijven niet vreemd zijn. Logisch dat zijn molen in 1475 dan wordt geduid met 'Scriversmole', als ten minste zijn voorganger ook ambtman is geweest. Dan is ook de beperkte omvang van het erf verklaard want zijn inkomsten kwamen voornamelijk uit zijn rentmeesterfunctie en misschien maakte hij met de molen zijn eigen papier! Als ons toch even een blik gegund werd in het 16- eeuwse Dulder!

Gerrit Welberg

Reacties