Verhaal

Gerard Voorpostel, trotse maker van de rozenkrans

Auteur: 
Weerselo, 2 mei 2019 Maria Löbker-Ribbert

Gerard Voorpostel is geboren 23-6-1929 in Volthe nr.1, nu de Wiekerstraat , op boerderij Höwwerboer ook wel “ol Ensink” genoemd. “In 1941 kwamen de Duitsers op en rond de boerderij. Er werden barakken geplaatst in het weiland achter de boerderij. Een bouwbedrijf plaatste de stellingen waarop een zoeklicht en luisterapparatuur geplaatst werden. Bij de keuken werden 3 barakken geplaatst onder de kastanjeboom: 1 voor de transformator voor opwekking van stroom voor het zoeklicht en de luisterapparatuur, één voor opslag benzine en een barak voor twee personen. Alles nog geen vijf meter van de deur. Het werd gewoon gevorderd, je kon dit niet tegenspreken.”

Gerard is de jongste van de drie zoons. Hij vertelt graag en geniet samen met zijn vrouw Truus Voorpostel-Ossenvoort van het leven. Hij verzamelt alles van de parochie Rossum. Over de kerk is van zijn hand een boek verschenen. Ook heeft hij samen met anderen een fotoboek van Rossum uitgegeven. De familiegeschiedenis staat beschreven in diverse boekwerken. Een boek over de carnaval in Rossum staat nog op zijn lijstje. Een man die het verleden wil bewaren voor de toekomst. Maar wat weet hij nog van de oorlog? De door hem gemaakte rozenkrans van het micaglas van een neergestort vliegtuig was de aanleiding om met Gerard te praten.

De eerste herinnering aan de oorlog

Ik was bijna 11 toen de oorlog begon. De eerste herinnering aan de oorlog was dat we op 10 mei 1940 vliegtuigen zagen overvliegen en heel laag een transport vliegtuig. Een groot lomp ding . Dit was het eerste vliegtuig dat ik zag en wat veel indruk op me gemaakt heeft. In Oldenzaal zag ik de soldaten binnenkomen in vreemde uniformen, mitrailleur voor zich. Dat maakte me als kind erg angstig.

Op de boerderij

In 1941 kwamen de Duitsers op en rond de boerderij. Er werden barakken geplaatst in het weiland achter de boerderij. Een bouwbedrijf plaatste de stellingen waarop een zoeklicht en luisterapparatuur geplaatst werden. Bij de keuken werden 3 barakken geplaatst onder de kastanjeboom: 1 voor de transformator voor opwekking van stroom voor het zoeklicht en de luisterapparatuur, 1 voor opslag benzine en een barak voor 2 personen. Alles nog geen 5 meter van de deur. Het werd gewoon gevorderd, je kon dit niet tegenspreken.

Op een keer is er ‘s nachts een aanval geweest door de Engelsen op ’t zoeklicht. Enkele Duitsers zagen we daarna niet meer. Die waren overgeplaatst zeiden ze. Of waren ze gesneuveld? We hebben ze niet teruggezien.

 

Onderkomen voor de Duitsers

Ze hadden geen water, aan de zijkant van de boerderij kwamen ze zich wassen bij de pomp. Daar hadden ze een plank gemaakt met hun toiletspullen en iedere morgen kwam een “kudde” van ongeveer 15 personen langs.

vertrouwen

We moesten tevreden zijn met de Duitsers om ons heen. Onderling vertrouwden ze elkaar ook niet. Er was een soort angst want je wist niet wat je wel of niet kon zeggen. Later kwam een Oostenrijker uit Wenen in gesprek met mijn vader die gebrekkig Duits kon. Daar konden mijn ouders goed mee communiceren. Moeder heeft hem verwend met af en toe een spiegelei en dan eens dit en dan eens dat. Hij heette Robert Stiegler. Opeens was hij weg, overgeplaatst.Plotseling, 2 jaar na de oorlog, kregen we een brief van hem. Hij had in een Russische gevangenis gezeten als krijgsgevangene. Het contact bleef via brieven. Van onze kant in gebrekkig Duits. Het was iedere keer Mutti dit, Mutti dat en zij kreeg bloemen met moederdag, een dag die bij ons niet bekend was. Moeder kreeg keelkanker en overleed in april  1959. Hij kon hiet komen op de begrafenis maar in augustus van dat jaar kwam hij samen met zijn vrouw. Ze gingen iedere dag naar het kerkhof.

Koffie

De Duitsers hadden koffiebonen maar konden ze niet malen.Ze vroegen aan moeder of ze een koffiemolen had. Die hing aan de muur en in ruil voor het malen kreeg moeder koffiebonen. Er moest wel wat in de koffie anders was de koffie te slap en daar zorgde moeder voor. Moeder had een soort surrogaat.

Blumen auf dem Tisch

Op een dag riep een van de Duitse soldaten, genaamd Otto,  dat hij “Blumen auf den Tisch”wou. Dit moest gebeuren! Dat kon, ik plukte die bloemen in onze tuin en zette ze in een potje: het waren goudsbloemen, oranje van kleur....

Rot momenten

De groepen bleven ongeveer een maand tot 6 weken. Zo was er ook een groep die een mooie geknipte palm (buxus) boom in de tuin hadden omgezaagd. Dat vond mijn moeder niet leuk en toen ging mijn vader er naar toe. Wat er toen gebeurd is weet ik niet maar ’s avonds rond 9 uur kwam de marechaussee met een Duitse officier en pa werd opgepakt en heeft 3 dagen vastgezeten, Mijn ma liet zich niet kisten en ging iedere dag bij hem op bezoek en had zelfs een gesprek met de Ort-Commandant. Toen kwam pa vrij.  Die vervelende momenten dat lag aan de verschillende groepen.

School

De lagere school werd gevorderd, de lessen werden gegeven in café Ossenvoort, café Bergman, bij schilder Hermelink in de werkplaats en de eierloods van Postel. Waar maar plek was. We kregen Duitse les. Naar het voorgezet onderwijs in oldenzaal kon je ergens vooraan in Oldenzaal. Pas na de oorlog ging je daar echt naar toe.

Kerk en pastorie

Je kon gewoon naar de kerk. Deze moest verduisterd worden met zwart papier. Pastoor Hoogveld verborg in de pastorie een kloosterzuster die ergens voor gezocht werd.

In 1939 is men begonnen te bouwen aan een nieuwe kerk. In 1941 is er een bom gevallen op de hoek van het kerkhof, alleen de pannen waren van de kerk. Ik weet niets van de gevorderde klokken. Wel weet ik dat het angelusklokje mocht blijven en dat de familie Scholten Linde later een nieuwe klok heeft geschonken.

Franse soldaten

Ik was misdienaar en dan moest je om 7 uur in de sacristie zijn, het was winter en er lag sneeuw. Er lag iets onder de dennen wat bewoog. Ik werd erg bang en ging terug naar mijn vader: Pa kom eens gauw, er zijn rare kerels daar. Dat waren franse krijgsgevangenen die waren gevlucht. We verstonden de taal niet. Toen vader riep Holland waren ze opgelucht. Ze moesten nog een eind naar Weerselo. Ze zijn opgevangen door mensen van de ondergrondse en kregen andere kleding van Elderink, Bossink, Vos en Kleinert. Ze zijn in Frankrijk goed aangekomen. Bernard Pierik heeft de costuums verbrand in de ketel bij de melkfabriek. Er werd mij op het hart gedrukt dat  ik hierover niets mocht vertellen wat best moeilijk was. Onze weg bleek ook een vluchtroute te zijn. Ze kwamen in weerselo bij een zoon van politieagent ter laak die bij de ondergrondse zat maar dat weet ik niet zeker. Mijn vader heeft van de Franse ambassade nog een oorkonde gekregen als dankbetuiging.

Opvang kinderen uit het westen

Er waren veel kinderen in Rossum.We hebben 2 jongens in huis gehad, een kind van een spoorwegambtenaar uit Amsterdam: Bart de Koning met zijn moeder en  Bep Voorpostel uit Aalsmeer. Ik weet niet precies hoe de opvang  ging.

Onderduikers

Ik heb geen ervaring met onderduikers. Daar werd niet over verteld. In het Rode Veld was wel een onderduikadres en Jan Hutten die had contact met de Engelsen. We waren daar niet zo mee bezig.

Jan Vos

Ik weet dat Jan Vos opgepakt is en dat we dachten dat hij terugkwam. Het huis werd zelfs versierd maar Jan kwam niet terug totdat er bericht kwam dat hij was overleden. Hij had in verschillende kampen gezeten.

Neergestorte vliegtuig

Ik herinner me niet dat ik hem heb zien vliegen maar wel dat hij brandde. Het was allemaal licht. Hij moet dicht langs de boerderij zijn gevlogen en mijn vader slaakte een zucht dat hij was gevallen bij oude Moleman en onze boerderij niet had geraakt. Er zijn 5 bemanningsleden omgekomen. We waren erg nieuwsgierig naar de begrafenis maar vonden het ook eng. We gingen naar het kerkhof om te kijken. De begrafenis ging met militaire eer. Pastoor Hoogveld deed met de dominee uit Weerselo de afscheidsviering aan de graven. Er waren Duitse militaire eer aan de graven.

Rozenkrans

Op school en met elkaar verzamelde je dat micaglas van het verongelukte vliegtuig. Dat lag door het hele weiland. Dit werd ook geruild. Er werd van alles van gemaakt. Ik heb er in de oorlog  een rozenkrans van gemaakt en Kapelaan Wansink heeft hem gewijd. Ik maakte een rozenkrans omdat we goed contact hadden met kapelaan Wansink. Deze rozenkrans bewaar ik in een blikken doosje.

Melkfabriek

Het gebouw naast de melkfabriek voor de lijkwagen werd later ook gevorderd door de Duitsers en er waren op een bepaald moment Duitse dames buiten aan het koken voor de Duitsers in de school. Er stonden 2 pannen op het vuur. Toen iemand van onze groep een steen in de pan gegooid waarop we hard weg renden.

Bevrijding

We hebben dit in Rossum niet echt meegemaakt maar wel in Oldenzaal. Lopend op klompen daar naar toe. De Engelsen waren in Oldenzaal, we hoorden dit via de radio boven op zolder, onder een kleed, op een  geheime plek. Op dat moment waren de  Duitsers al weg, Een buurman zei een keer: “ik wet wa daj doar ne proat-keerl achter hebt zitn”

Terugblik op die tijd

Wij hadden geen armoede. Je gaf degene die het nodig had eten maar je kon niet alles. Er was een comité die er voor zorgde dat er voedsel naar het westen ging. Daar is een boekje van gemaakt.

Ik durf eerlijk te zeggen dat we als kind eigenlijk nergens last van hadden, er was voldoende te eten en er was ook wel wat te beleven. Na de oorlog werd zo goed mogelijk het normale leven weer opgepakt.

Reacties