Verhaal

Erve Schothorst, voorheen Meyerink te Hasselo

Auteur: 
Jo Niks (1977) met bewerking van Bert Wolbert uit Oet de Boerschopn nr.88 Winter 2004

Erve Schothorst,voorheen Meyerink ( Bartelinkslaantje H.3 04) Hasselo

De oudste tot nu toe bekende gegevens van dit erf vinden wij in het Schattingsregister van 1474.In dat jaar moet er 2 schild of 3 Golden Rijnlandse guldens aan de Bisschop van Utrecht worden betaald. In het verpondingsregister van 1601 zien we dat dit erf aan het convent binnen Oldenzaal behoort en dat het dan 5 mudde geseys en anderhalf dach grasmeijens groot is. Uit hetzelfde register van 1602 (een 2e opgave, vanwege op grote schaal vermeende fraude) blijkt dat ook deze bewoner zijn bezit niet goed heeft opgegeven, want dan heeft hlj an middelbare landen 3 mudde an waterige drepsige landes, 1 mud, an olthovige landes tot veeweide 2 schepel en 1.5 dachwerk hoylandes. Hij bezit dan ook 3 paarden en 4 varkens. De boer van het erf was een dienstman, die als voerman enige malen per jaar voor de Drost van Twente naar Deventer moest rijden. In 1626 behoort zijn erf aan de Graven van Bentheim en moet dan vor ses jaren daer vijf en twintig gulden aan tienden betalen.

In 1675 is het Clooster te Oldenzaal eigenaar en heft dan van een schoorsteen het z.g. vuurstedengeld. In hetzelfde jaar moet Hoofdgeld betaald worden voor personen ouder als 16 jaar. Op het erf Meijerink wonen dan 3 personen die ouder zijn dan 16 jaar. Ook bezit het erf dan een lijftucht waarvan de bewoners zo arm zijn dat zij geen hoofdgeld kunnen betalen. Bij de volkstelling van 1748 blijkt Meijerink getrouwd te zijn met Catharina, zij hebben een zoon Berent ouder dan l0 jaar en een dochter Engele jonger dan 10 jaar. In de zomer van1748 worden de erven van het Capittel en Clooster Oldenzaal gevisiteerd. In het rapport over het erf Meierink wordt het volgende vermeld.

Boerschap Hasselo.

Meijerink heeft jaarlijks ter pagt 44 schepel rogge, 2 schepel haver.

De Verponding en contributíe zijn f. 64.-.16 st.-12 penn.

Uitgang f 3.-.-.

1 verken f:6.-.-.

              f. 9.-.-.

boerrente f. 1.5. + 0-.

Geeft tiende grof en smal over 't gehele Erve en het Erve Lodewijk te Hengelo. Heeft een goed gedeelte goede pote grond, Heeft deselve redelijk met goed opgaand Jonk Eíjkenhoud bepoot. Het Erfhuis is goed in dak en rak. Volgens opgeven van den boer so heeft hij aan bouwland, ongeveer 9 Heeren mud gesaay. An groenland ongeveer 7.5 dagwerk,past wel op sijn landerijen en betaalt ook redelijk wel.

Hier eindigt dit 'goede' rapport.

 

Op 5 november 1765 heeft de bouwman op het erf Meijerink een verzoek gericht aan de Ridderschap van Overljssel om in het bezit te mogen komen van een aantal planken. Hij heeft het hout nodig om de gevel van zijn huis en 'schoppe' te repareren. Tevens heeft hij hout nodig boven zijn bedstede en grondhout voor de stallen en een 'rije'. Het wordt goedgekeurd en door de Houtvester wordt het hout aangewezen. Hieruit blijkt duidelijk dat het hout in de marke een belangrijke betekenis bezat.

 

In het jaar 1777 passeert er een huurcontract dat betrekking heeft op de pachtboer Berend Meijerink en Hendrika Sprakel, echtelieden die te kennen geven gepacht te hebben het erve Meijerink, gelegen in het gericht Oldenzaal, Buurtschap Hasselo, behorende onder het Klooster van Oldenzaal. Dat doen zij op een aantal condities die ik niet allemaal wil noemen, maar die wel weergeven dat het leven van een pachtboer niet gemakkelljk was.

-De Pagt zal weezen voor de tijd van zes Jaaren, waarvan het eerste Jaar zal verscheenen zijn op Martini (11-november) 1700 agt en seventig,

De pacht aan de rentmeester bedroeg jaarlijks 10 gulden + elf Mudde rogge en zes mud haver. Daarboven kregen zij nog vele extra lasten, zoals extra schattingen, tienden, uitgangen, 1000e  penning,vuurstedengeld,contributies en personele lasten.

De pagteren zullen den onraad van Dammen, Wegen en Waterleidingen (sloten), op hun privative kosten, moeten maken, ook Huizen, Bergen en Schuiren, op eígene kosten, en zonder eenigerhande kortinge in goden onberispelíjken en bewoonbaaren staat onderhouden, dog zullen materialen van het noodige Hout en Benthemer Steen door de Heeren Verpagteren aangewezen en betaald worden.

Verder moesten ze het opgroeiende hout bijhouden en goed verzorgen en als er wordt gekapt dit aanvragen en opnieuw 'telgen' poten.

Pagteren zullen de gewoone Wagen- en Handdiensten jaarlijks moeten doen en prasteren, ook vorder tot al het geen, waar toe voorheen zijn gehouden geweest verpligt zíjn en blijven, zig voorst als naarstige en vroome Pagteren gedraagen, ende geregtigheden van het Erve allersints voorstaan.

De akte was ondertekend door de griffier en de pagter W.G.Berent Meijerinck op 15 july 1777 te Ootmarsum en wederzijds uitgewisseld.

Aan het einde van de 18' eeuw wordt dit erf 'Klooster Meijer Meijerink' genoemd. Het heeft dan vele schulden aan het Klooster te Oldenzaal. De rentmeester van dit klooster moet van dit erf verhalen over de jaren:

1794: 6 mudde rogge 3 mud haver.

1795: 6 mudde rogge2 mud haver.

1796: 11 mudde rogge 6 mud haver.

1797: 11 mudde rogge 6 mud haver.

Dit ter somma van tweehonderd twee en twintig gulden, 16 stuivers of zooveel meer of minder als dit gericht zal bevinden te behooren.

Op 21 september 1814 is de huwelijksdatum van Hendrikus Meijerink (37 jaar) met Johanna Frerick (24 jaar). Deze Hendrikus is de laatste naamdrager op het erf Meijerink.

Op 23 oktober 1823 gaat Janna Frerick als weduwe naar de notaris F.C.W.Stork te Oldenzaal, om de gehele inboedel (zonder enige uitzondering) van het erf Meijerink te koop aan te bieden aan de Heer Johannes Palthe, voor de sornma van vier honderd gulden.

Janna Frerick hertrouwt op 1 Augustus 1825 met Gerhardus Egberink van een naburig erf. Deze wordt dan Gerrit Egberink op Meijerink genoemd. Uit dit huwelijk wordt op 11 oktober 1825 dochter Hendrika geboren en zij huwt op 3 juni 1862 met Antony Blokhuis uit Tubbergen. Ze gaan wonen op het erf Meierink. Antony overlijdt op 29 juli 1879 en Hendrika op 31 augustus van het jaar 1882. Zij laten een dochter Hendrika na, die op 11 oktober 1863 is geboren.

Op 25 september 1882 heeft Engbert Wilmink, notaris te Borne, zich op het huis staande op het erf Meierink vervoegd, alwaar Antony Blokhuis woonachtig was, teneinde daar ter plaatse tot behoud der regten van allen die daarbij belang zouden mogen hebben, over te gaan tot beschrijving der goederen, zaken en regten, die in gemelde huis behoren. De beschrijving zal geschíeden ten verzoeke en in tegenwoordigheid van Jan Hendrik Tyert, landbouwer, wonende te Hasselo in hoedanígheid van aangestelde voogd over Hendríka Blokhuis, minderjarig en enig kind en erfgenaam van de voormelde overleden echtelieden. De aanwijzing en opgave van hetgeen behoort te worden opgeschreven zal geschieden door de voogd Tyert met hulp van het minderjarig meisje dat ongeveer de negentien jaren heeft bereikt, terwijl de voogd verklaart alles getrouw te zullen aanwijzen en opgeven zoveel hem bewust en niets te verbergen of achter te houden. De waardering der roerende goederen zal geschieden door Gerrit Dekkers, gemeente bode wonende te Hengelo, als schatter door partijen benoemd en door den Kantonregter van Almelo beëdigd.

Hierna heeft de beschrijving plaats gehad en levert een bedrag op van 1782,00 gulden. Het huis staat dan leeg.

 

Erve Schothorst

De 27e  december van het jaar 1883 betrekt de landbouwer Johannes Schothorst met zijn gezin de boerderij en vanaf die tijd zal de naam Schothorst aan dit erf zijn verbonden. Johannes Schothorst kwam uit Bornebroek, was gehuwd met Geziena Reef uit Ambt Delden en zij hadden vier zoons en twee dochters.

De familie Schothorst (achterkleinzoon van eerder genoemde Johannes) moest in 1975 wegens nieuwbouw van de Hasseler-Es het erf verlaten en vertrok naar een boerderij in De Lutte, gemeente Losser.

De huidige boerderij is van 1896 en werd door de gemeente Hengelo vanaf 1977 gebruikt om er een werkafdeling in te vestigen.

.

Jo Niks, 1977 bewerking: Bert Wolbert.

Reacties

Onderdeel van het thema: