Verhaal

Erve het Leuvelt Hasselo

Auteur: 
Jo Niks (1977) met bewerking van Bert Wolbert uit Oet de Boerschopn nr.84 en 85 Winter 2002 en Lente 2003

Erve Het Leuvelt Ook wel Lövelt of Lovelding genaamd in de Marke Hasselo

 

De thans nog aanwezige boerderij 't Leuvelt aan het Bartelinkslaantje (H 310) wordt (voor zover bekend) het eerst vermeld in het manuaal van de rentmeester van Twente. In dit manuaal (dagregister of journaal) wordt het erf 'Lovelding' genoemd. Op de omslag van dit register staat met een handschrift van het midden der 16e eeuw:'Rente ende domeyen des landts van Twenthe nair de gestaltenisse als die waren bij tijden van bisschop Floris van Wevelichoven aano 1385.Bladzijde 611 vermeldt dat Lovelding 4 schild moet betalen. We kunnen hiermee vaststellen dat erve Leuvelt voor 1385 reeds bestond.

De naam Leuvelt is volgens de naamkundige Hekket afgeleid van de Germaanse voornaam Ludolf dat “mens en wolf” betekent.De uitgang'-ink' of '-ing' had de betekenis van 'behorende bij' en betekende zowel 'zoon van' als 'bewoner van.'

In het schattingsregister van 1475 lezen we dat Lovelding, via de rentmeester Roloff van Beverfoorde, 2 schild, d.i. 3 golden Rijnlandse guldens aan de bisschop Davidt van Bourgondië moest betalen. In het jaar 1495 is het erf verlaten en in 1499 wonen er 'paupers.' (arme mensen)

In het jaar 1601 telt 'Lovelink' weer mee, dan bezit het 7 mudde landes en dre daehmaet gras meyens en behoort het 'den capittel van oldenzal'.Het moet hieraan jaarlijks 3 dalers en 15 stuiver betalen, Het Capittel te Oldenzaal was een bezitting van de bisschop van Utrecht en bezat Oldenzaal als een hoofdhof. Aan deze hoofdhof was het erve Leuvelt hofhorig. ln1626 behoren de tienden (een tiende van de opbrengst van het land) uit dit erf tot de graven van Steinforde. (Steinfurt) Deze tienden worden op het land uitgenomen. Dit betekend dat de hoofdhof van het Capittel Oldenzaal, het recht op tienden aan Steinforde heeft overgedaan.

ln 1746 komen we Leuvelt weer tegen bij het Capittel te Oldenzaal, want dan moet het daar weer de pacht aan betalen en deze bedraagt aan rogge 3 mudde, 2 schepel en aan gerst 4 mudde. Interressant is dat in dit pachtboek staat aangetekend dat de richter Limborg de opmetingen heeft gedaan met Rijnlandsche roeden, wearvan nae Twentsche mate en gesaay pertinent maken.

Voor de duidelijkheid: 250 roeden = I mudde of 4 schepel .

                                     62,5 roeden: 1 schepel of 4 spind.

                                       16 roeden: 1 spind.

Een mudde was ook een oppervlaktemaat. Deze was zo groot dat er een mud(de) of hectoliter graan op kon worden uitgezaaid. Dil kwam overeen met 3600 vierkante meter. Dit betekend dat een roede ruim 14 vierkante meter bedroeg.

Als opmerking stond in dit pachtboek ook vermeld: In de jaren 1642 zíjn de Weerseler Erven en Catersteden en losse landerijen ook gemeten door eene Gijsbert Sachs, waarbij deselfde stucken doorgaangs merkelijk minder roeden uitbrengen. De standaard meter was nog onbekend. Wanneer er na de resolutie van 14 April 1675 hoofdgeld door de bewoners in deze streken betaald moet worden, blijkt dat op erve Leuvelt 3 personen wonen die ouder zijn dan 16 jaar. In het Vuurstedenregister van datzelfde jaar lezen we dat 'Loevelt'  één schoorsteen bezit en daarvoor 4 gulden belasting moet betalen.

Ook blijkt er dan een Engbert Loevelt als 'bijsitter' (wönner) op het erf een wónnershoes te bewonen. Maar deze laatste is zo arm, dat hij onmachtig is om 't schoorsteengelt te betaelen.

Bij de volkstelling van1748 wordt het Leuvelt bewoond door ene A. met vrouw Grete, een zoon Gerrit over en een zoon Roelof onder de 10 jaar plus een dienstbode Hermina. In het wönnerhoes aldaar wonen dan Roelof OIde Leuvelt, vrouw Jenne en nog een oude man Jan.

Als we dan vervolgen met de chronologische opsomming zien dat er op 24 july 1732 een noodgericht wordt gehouden op het'Oude Loevelt' te Hasselo. Het blijkt dat de oude Loevelt ten overstaan van dit gericht enig roggengewas, neffins twee koebeesten en een paerdt moet verkopen. Dit is een opmerkelijke verkoop, want hier zien we dat de oude Loevelt nogal wat bezittingen heeft. Bij de verkoping zien we de volgende prijzen:

- een stuk land ongeveer 3 schepel (2700m2) genaamd het Bruggenstucke voor 9 gulden - l0 stuivers.

- een stuk land 3 schepel, genaamd de Halve Bree voor 13 gulden.

- Het paerdt brengt op 18 gulden.

- De zwartbonte koe 12 gulden

- De roodbonte koe 10 gulden - 5 stuivers.

Het verschil in prijs zal wel van de ligging en kwaliteit van de grond afhankelijk zijn en dit geldt ook voor het vee.Na de verkoop kan de oude Leuvelt zijn schulden voldoen, waarbij we er van uit kunnen gaan dat een oude bewoner meestal in het 'lijftuchthuis' woont en recht heeft op een negende deel van de opbrengst van het erf waarop hij woont.

Vijf dagen wordt er weer een noodgericht te Hasselo gehouden, maar nu bij Roeloff Loevelt. Daarbij wenst de predikant Palthe de resterende Heerenlasten van dit erf te ontvangen. Nu worden stukken land tesamen ongeveer 10.000 m2 geveild. Deze worden door de predikant Palthe voor 42 gulden ingezet en door niemand verhoogd, dus blijft deze koper. In die tijd kwam de familie Palthe en ook andere bekende fabrikantenfamilies voor weinig geld aan veel grondbezit.

Op 8 April 1756 wordt er ten huize van Loevelt een belangrijk testament gemaakt dat ik hierbij kort wil samenvatten. Gerrit Lovelink in Hasselo en zijn vrouw Janna Janssen Lottgerink laten Hendrik Jan Bos, verwalterrichter te Oldenzaal komen met de twee getuigen Jan Heitkamp en Jan Reinds. Janna ligt ziek te bedde, edoch haar verstand, memorie en duidelijke uitsprake zo veel mij gebleken is volkomen machtig constateerd H.J. Bos. Het echtpaar heeft te kennen niet van deze wereld te willen scheiden voordat zij hun bezittingen, roerende en onroerende goederen, hebben geschonken aan haar 'lieven neeve Roelof Rotgerink', die tegenwoordig bij hen inwoont. Verder wordt nog melding gemaakt dat ene Gerrit Zijvert optreed als haar voogd (mombaar).

Daarbij worden nog enkele restricties en ambtelijke opmerkingen gemaakt en laat H.J. Bos het testament nog extra ondertekenen door de burgemeester G.W. Stork.

In het register van 'Aangegeven dieverijen' uit de jaren 1759-1771 van het landgericht Oldenzaal, komen we het volgende stuk tegen. Aardig om te lezen en een hele toer om het te begrijpen:

Den 29 May 1767 heeft Gerrit Groothuis, de knegt van Lovelink, in Hasselo bekend gemaakt, dat deze nagt, even voor sonnen opgang aan 't huis van Gelink een moeite en slagerije (knokpartij) is voorgevallen,zijnde door Gelinks soons Gerrit Jan en Gerrit uit het huis verdreven, als wanneer hij op de vaalt werde aangegrepen voor de grond gesmeten en deerlijk gestoten en geslagen, zodat hem de neus bloede. Hier hebben bij geweest, Jan Jonge Lansink, Roelof Jonge Brunink, Jan Berend bij Jan Derksen in klein Dryne, weten de klager niet te zeggen, wie de slagerije gedaan hebben. Den I Juni informeerden de beide zoons van Gelink dat tusschen Gerrit Groothuis en Lansinks zoon woorden zijn voor gevallen, waarop zij te samen aan de worsteling zijn gekomen, malkander in 't haar gegrepen, waarop zij haar uit het huis schoven op den vaalt, alwaar zij malkander onder de voet kregen en bij 't haar kregen, waarop na Bruinink Roelof haar heeft van malkander getrokken, verklarende zij dat Gerrit Groothuis den eersten aanlegger in woorden is geweest, eischende iedereen uit om met hem te slaan, tredende iedereen op de teenen, en als er dan van gesproken wordt, daagt hij die uit. Jan Jonge Lansínk en Roelof Jonge Bruinink informeren dat Gerrit Groothuis eerst aanleidinge tot de ruzie gegeven heeft,gepoogt,uitgedaagt en Lansinkzoon Jan in 't haar aangegrepen en voor de grond gesmeten, waarop Bruinink zoon Roelof haar willende scheiden, heeft hij die ook aangegrepen en met deselve geworstelt en zamen neergevallen, dus alle drie boetbaar. Dat hebben Zijvaarts maagt en knecht ook gezien.

(N.B. Elk debet I oude schild : 30 stuivers)

N.B. Gerrit Groothuis is den aanvaller geweest moet boete geven en wel dubbelt omdat 's nagts is geweest.

 

Een lening.

Hieronder een deel van een akte die een lening betreft.

In het jaar 1770 hebben de bewoners Lucas Leuvelink en Geertjen Nijhuis zijne huisvrouwe, driehonderd Carolische guldens ad 20 stuver het stuk geleend van Jan Wissink in Gammelke.

Zij betalen hier 4 procent rente over en zetten als onderpand in hun 'nieuwe huis' gelegen op de 'Hooymaate' en nog een stukje bouwland van ongeveer 3 schepel, gelegen in het Hesseler in de Marke Hasselo. Verder staan er nog een aantal voorwaarden genoemd. Het echtpaar kon niet schrijven. De akte wordt opgestelt op 9 oktober 1770 te Oldenzaal.

In het jaar 1772 hebbende bewoners van het erve Leuvelt moeilijkheden met Berent Leyrink en Janna Meijlink, weduwe van Lamberts- en Jannnes Kel, allen inwoners van het dorp Hengelo. De bouwman van het erve Leuvelt kan en wil deze Hengeloërs hun recht op de pacht voor de bloedtiende niet uitbetalen. De eisers hadden bij de boer: tien hoenders bevonden en daar heeft hij er hun éën van gegeven. Boverdien hadden zij ter selver tijd ook nog bij hem bevonden één gans,drie hekkalveren en nog een hoen, welke de boer voor een ander jaar reserveerde. Hij wilde de bloedtienden ook niet in specie (geld) uitbetalen. En omdat de eisers, (hier remonstranten genoemd) nergens enig voldoende onderrigt kunnen bekomen, hoe en op welke wijze de bloedtienden van voornoemde gans, hekkalveren en hoen, het getal van tien niet uytleverende in specie of in gelde voldaan moet worden: dewijl de gewoonte dien aangaande sodanig variabel is, dat men sig daarop met gene genoegsame sekerheid in het institueren der actie kan verlaten.

Om hierover duidelijkheid te verkrijgen, vroegen zij de advocaat J.C.Racer hun belangen te behartigen. Deze schreef een brief aan de

"Edele Mogende Heeren van Ridderschap en Steden der Staten van Overijssel en vraagt daarin opheldering betreffende het regt van smalle of bloedtienden.

De heer Niks, schrijver van de geschiedenis van de Marke Hasselo, heeft niet het antwoord kunnen vinden op deze brief maar uit vergelijkbare stukken is op te maken dat boer Leuvelt in specie (geld) een tiende van de waarde van zijn gans, de drie hekkalveren en één hoen moest betalen.

Bij de volkstelling van 1795 wonen er op het Leuvelt 5 personen, met boer Gerrit aan het hoofd. Wanneer deze Gerrit op 14 april 1807 en zijn vrouw Swenne Hindrik hun testament laten maken, blijkt hieruit dat zij geen kinderen hebben.

Het Erve Leuvelt behoorde in die tijd tot 'de Domeingoederen', hetgeen betekent dat het dan een bezit is van de Staat der Nederlanden. In 1822 wordt blj -Zijne Majesteit Besluit- tot afkoop van deze bezittingen overgegaan. Op de koopakte van het erve Leuvelt van24 augustus 1829 wordt vermeld dat Frederik Leuvelt door koop eigenaar is geworden van een boerenwoonhuis, een woonderschop, een schoppe, een schuur en een bakhuisje. Bovendien 20 percelen grond (met name genoemd, zie "De Veldnamen van Weerselo, 1998, blz.I90), dertig eiken bomen en 20 dito telgen en de Whare in de Marke, alles voor een duizend achthonderd zes en twintig gulden en vijf en dertig cent. Bijzonder aan deze acte is dat de nieuwe eigenaar Fredrik Leuveld heet. Het testament van 1807 gaf aan dat Gerrit Leuvelt geen stamhouder naliet.We zien nu ook dat “Leuveld”nu met een “d”op het eind wordt geschreven.

Deze Frederik van 1829 heette in werkelijkheid Frederik Hofste op Leuveld. Hij had met zijn vrouw Geertruíd Hassink,-na het overlijden van Gerrit leuvelt en zijn vrouw-het erve Leuveld betrokken. Hij kwam van Hofste en kreeg nu de naam van de boerderij, waar hij als boer opging wonen, als eigennaam.

Zijn zoon Bartus huwt met Geertrui Braamhaar. Zij krijgen een dochter Elisabeth. Wanneer deze dochter op 9 juli 1864 huwt met Johannes Hagen gaan zij op “het Schöppert” wonen. Vanaf ongeveer die tijd wordt het huis Leuveld door een familie Hemmer bewoond. Het huis en de schuur werden door de heer J.Wilmink, bouwkundige te Hengelo, voor rekening van de heer J.H. Bartelink in 1905 verbouwd. In Juli 1976 ging de schuur in vlammen op. In de jaren '76-'80 is een groot gebied van de grond die bij het erf behoorde ingevuld voor nieuwe moderne woningbouw en werd hierbij een deel van de wijk Hasseler-Es.

Jo Niks. 1977

bewerking: Bert Wolbert

Reacties