Verhaal

De eerste school in Dulder

Auteur: 
Magda Nijland in Oet de Boerschopn nr. 118 Zomer 2011

In het jaar 1758 opende in Dulder de eerste school de poort voor de leergierige jeugd. Het was een éénklassig gebouwtje. In het Staten Archief te Zwolle wordt vermeld dat de eerste schoolmeester Bernard Nijkamp was. Hij onderwees de kinderen van Dulder waarschijnlijk op ongeveer dezelfde plek waar in 1890 de nieuwe Dulderschool werd gebouwd. Het laatste gebouw is nog steeds in gebruik, zij het als woonhuis.

Van 1758 tot zijn dood in december 1806 was Bernard Nijkamp de schoolmeester. Reeds in de achttiende eeuw kende Dulder al een school, nl. de oude school op het Stift. In onderstaande brief wordt een verzoek ingediend voor een schooltje in de Marke Dulder. Deze ongedateerde aanvraag voor de school is interessant als document van erg beleefde correspondentie uit de achttiende eeuw. Op grond van andere gegevens kunnen we vaststellen dat de brief is uit 1757 of 1758. (Aldus A. Hottenhuis ‘Basisschool Bernardus Saasveld’, november 1987)

Edele Mogende Heeren

Mijne Heeren

Ridderschap en Steden de Staten de Provincie van Overijssel

De ondergeschrevene Esgeman als Boerrigter nevens de andere als Boermannen van Dulder nemen de vrijheijt Uw Mog. Met alle soorten van respect en verschuldigde onderdanigheid voor te dragen hoe dat sij hunne grote 14 kinderen des somers wegens haren veelvuldigen arbeijt niet ontberen en des winters hare kleine en tedere kinderen so om het guure weer en slegte weg niet na Weerselo om in het lesen en schrijven onderwesen te worden, als ongeveer de distantie van een uur uitmakende, senden kunnen.

Uit dien hoofde samen goed gevonden hebben sig bij sijn Hoog Geboren Gestrenge Graaf Bentink, Heere tot het Nijenhuis destijds Landdroste van Twente, te addresseren en versoeken om aan haar te permitteren in derselver Markte Dulder een Schoolhuijsjen op te rigten, en OP HAAR EIGEN KOSTEN een bekwaam schoolmeester te houden: hetwelk door sijn Hoog Geboren Gestrenge om der selver kinderen de Edele en ten hoogsten dierbare kunst van lesen, schrijven en rekenen niet te onttrekken, toegestaan sijnde.

So hebben de Boermannen van Dulder kragt dien en met communicatie hunner Goed Heeren ten voorgemelten fine een schoolhuijsjen in hare Markte opgerigt, in navolginge van diverse Boerschappen in welke geen schoolmeester, gelijk in Dulder, op een jaarlijxe wedde van het land schole hout, het selve gebruijkelijk:

T eshalven Remonstranten soo voor haar selfe en de andere boermannen seer onderdanigst versoeken Dat Uw Mog. Goedgunstiglijk believen te permitteren dat sij remonstranten OP HAAR EIGEN KOSTEN een bekwaam persoon tot schoolmeester voor haar kinderen in de Boerschap Dulder verkiesen en nemen mogen.

T welk dpende

Rolof Essinck als boerrichter van Dulder

Wolter Bekman

Hendrik Hannink

Gerrit Franke

Acht onderwijzers in honderd jaar

Bernard Nijkamp werd in 1807 opgevolgd door J. Bolk uit Weerselo. In een archiefstuk in Zwolle wordt melding gemaakt van het feit dat de Jan Hendrik Bolk, 32 jaar, schoolonderwijzer te Dulder, bij de Commissie van Onderwijs na afgelegd Examen op 18 July 1821 de vierde graad heeft behaald. Toen de heer Bolk aan het einde van zijn loopbaan en leven was, is in mei 1838 als volgende schoolmeester gekomen Lambert Hazelaar. Hij kwam uit Zuid-Holland en zocht huisvesting in de buurt van de school. Hij kocht van Groothuis het Espelöarke ofwel Uitslag aan de rand van de es en de Eskemea (’t Hazelaar). Lambert kocht het spilke van ongeveer 5 bunder in 1844 voor 850 gulden. Slechts 11 jaar heeft Hazelaarsmeester de jeugd in Dulder onderricht. Hij overleed in 1855 en werd opgevolgd door Mannes Borgelink uit Diepenveen.

Het woonhuis van meester Borgelink stond tot enige jaren geleden met een prachtige dubbel hoendervorm-taxus en een wolfsdak tussen Lesscher en café Franken Volmerink. Meester Borgelink had hier en daar wat grond liggen en had zo ook een klein spilke. Tijdens zijn onderwijsperiode is het oude schooltje gesloopt. Het was in verval geraakt. Het gemeentebestuur van Weerselo besloot op dezelfde plaats een nieuwe school te laten bouwen.

In een bestek van 27 februari 1857 zijn de maten aangegeven in de Nederlandse el. Namelijk lengte elf el en een palm, breedte zes el en vijf palm, hoogte zes el. De totale oppervlakte van de school bedroeg dus ongeveer 65 vierkante meter. De school bestond slechts uit één groot lokaal. De aannemer, Albertus Berends, timmerman wonende te Almelo, moest daarbij zes banken met lessenaars maken ter lengte van vier el en vijfenzeventig duim. Eveneens zes banken van mindere kwaliteit hout. Vier houten borden en een kast voor berging van schoolbehoeften.

De bouw van de school is aangenomen voor de som van ƒ 1680. De school moest opgeleverd worden eind augustus 1857. De leerlingen konden letterlijk met een schone lei beginnen, want lei en griffel waren in die jaren als schoolmiddelen gebruikelijk. In 1894 wordt meester Borgelink opgevolgd door meester Thien uit Brummen. In 1902 vertrekt meester Thien naar Zenderen omdat hij in Dulder geen huisvesting kon vinden.

In 1895 was het aantal kinderen van de markeschool gegroeid tot ongeveer honderd en werd een tweede leerkracht aangesteld in de persoon van Herman Kemperink. Deze bouwde in 1904 een eigen huis in de Westerik aan de Bornsestraat. In 1909 vertrekt hij naar Tiel en enkele jaren later is hij hoofd van de school in Enter.

Na meester Thien is meester Vrielink enkele jaren hoofd geweest, maar toen hij ook geen woning kon krijgen is hij in 1906 vertrokken. In 1907 kwam meester Claessen naar Dulder. Voor hem werd er uiteindelijk een huis gebouwd naast de school. Tijdens zijn onderwijsperiode ontstond er grote onenigheid over de plaats van de nieuw te bouwen school.

De schoolstrijd in Saasveld van augustus 1920 tot juni 1921

In het jaar 1920 had een wet van minister Visser gelijkstelling gebracht tussen het bijzonder en het openbaar onderwijs. Een lange strijd was hiermee beslist. Overal werden nu katholieke scholen gesticht. In Saasveld wilde men onmiddellijk van de geboden gelegenheid gebruik maken. Daarmee begon een heftige schoolstrijd waarbij de plaats van de school een belangrijke rol speelde.

De openbare school lag op achttien minuten loopafstand van de kerk. De toenmalige pastoor Moekate vond dat de bijzondere school dichter bij de kerk moest staan, zoals de meeste geestelijken dat graag zagen. Hij voorzag tegenwerking van de mensen uit de Westrik. Deze wilden niet alleen de school op de bestaande plaats houden maar vonden zelfs dat de nieuw te bouwen kerk in die buurt moest komen te staan. De gemoederen laaiden hoog op.

Terwijl de Monseigneur juist op reis was naar Rome vroeg pastoor Moekate aan de Vicaris van het aartsbisdom toestemming om zestig- à zeventigduizend gulden te mogen opnemen voor de nieuw te bouwen school. In november 1920 kwam de toestemming hiervoor. Een maand later werd het door de aartsbisschop bevestigd. Pastoor Moekate maakte dit via de preekstoel bekend en schreef in het verslag van het parochieregister: “ik merkte tot mijn grote vreugde, dat drievierde van de parochie zeker er mee was ingenomen”.

Maar de strijd was nog niet gestreden. De pastoor wilde het hoofd W. Claessen niet overnemen. Hij achtte hem niet geschikt als hoofd van de nieuw te bouwen school. De groep die achter meester Claessen stond bepleitte hun kant van de zaak krachtig bij de aartsbisschop. De pastoor kreeg op verschillende brieven aan Monseigneur van de Wetering geen antwoord en beleefde “kommervolle dagen en slapeloze nachten” zoals hij zelf schreef. Hij liet een advertentie voor een nieuw hoofd plaatsen, waarop dertien sollicitaties binnenkwamen. Een benoemingsacte was al door praktisch het hele kerkbestuur ondertekend toen plotseling via rector Van de Hengel, directeur van de kweekschool in Hilversum, bericht kwam, dat Mgr. toch het hoofd Claessen gehandhaafd wilde zien. Bovendien kwam in januari 1921 ook nog het bericht dat de verleende machtiging om een nieuwe school te bouwen weer was ingetrokken omdat op nog geen kwartier afstand een bruikbare school aanwezig was.

Binnen de school voerde meester Claessen zo zijn eigen schoolstrijd. Kinderen van tegenstanders werden soms zonder enige reden ‘voor straf’ door de meester naar huis gestuurd. In tegenstelling tot wat men zou verwachten was de zaak nog niet definitief beslist. De positie van de pastoor was in het geding gekomen. Buiten de pastoor om werd er een opiniepeiling onder de parochianen gehouden. Daarbij bleek dat niemand de pastoor graag zag gaan en dat maar achttien gezinshoofden meester Claessen graag benoemd zagen als hoofd. Deze solliciteerde in Makkum in Friesland en werd daar als hoofd benoemd. Toen kon T.H. Nijkamp, die al eerder was aangewezen, definitief als hoofd benoemd worden. In april werd er weer een machtiging verleend voor het bouwen van een nieuwe school. Het verzet bleef echter. De groep tegenstanders begint een actie en krijgen de gemeente mee. Die zitten als de nieuwe school gebouwd wordt met een leegstaande school. Burgemeester Jansen gaat zelf naar minister Ruys de Beerbroeck. Die zegt: “Ik moet de wet toepassen. Je moet bij de bisschop zijn. Die kan de pastoor misschien tegenhouden, ik niet.”

Dan gaat de burgemeester naar Vicaris Van Wijngaarden en deken Van de Waarden. Als de deken en de burgemeester vervolgens op 6 mei 1921 trachten de pastoor te bewegen om zijn plannen te herzien wordt de pastoor verschrikkelijk kwaad en zegt niet te zullen wijken.

De volgende dag, 7 mei, moet het rapport van de bevindingen van de deken bij de bisschop zijn. Op die zevende mei gaat de pastoor in alle vroegte naar de deken. Hij zegt dat deze in het rapport moet zetten dat de aanbesteding reeds een feit is. De deken weigert dit want de aanbesteding heeft wel plaats gevonden maar de gunning niet. De pastoor zegt: ”Dat is een kwestie van een half uur.” Dan gaat alles in snel tempo. Op de terugweg naar Saasveld geeft hij aannemer J. Wiggers uit Albergen op persoonlijke titel de gunning voor ƒ 55.100.-. Deze moet al de volgende dag met de bouw beginnen om op die manier Utrecht voor een voldongen feit te stellen. Op 8 mei wordt met het grondwerk begonnen en op 16 mei wordt er al een begin gemaakt met de fundering. Daarop kwam de officiële bekrachtiging van bovenaf.

Brief van de deken van Almelo aan de Aartsbisschop

Almelo 7 mei 1921

Monseigneur, Naar aanleiding van het bezoek van den burgemeester van Weerselo ten Uwen en ten mijnent meen ik goed te doen, Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid de volgende gegevens te verstrekken. Zowel den Pastoor als den Burgemeester heb ik afzonderlijk en gezamenlijk gesproken en tevens een onderzoek ter plaatse ingesteld. De nieuwe school komt niet op ƒ 100.000,- doch op ƒ 65.000,-, wat blijkt uit de volgende berekening :

De school is aanbesteed voor             ƒ 55.100.-

Centrale verwarming begroot op         ƒ 3.000.-

Meubilering van 2 lokalen begroot op ƒ 3.000.-

Architectum                                         ƒ 3.000.-

                                                             -----------

                                                           ƒ 64.100.-

De oude school ligt op een zeer ongelegen plaats, met een fatsoenlijken stap geloopen, ruim 15 minuten van de kerk. Moeilijk is daarvan een goede school te maken. Het nieuwe gedeelte zal een opzichzelfstaande school moeten worden, met eigen ingang. Zij kan als gymnastieklokaal en misschien als lagere landbouw-school worden gebruikt.

De verbouwing kost in allen gevalle circa ƒ 3.000.

De nieuwe school is ongetwijfeld een groote uitgave voor de Gemeente.

En daarom heb ik den Pastoor den raad gegeven, de gemeente zoo min mogelijk op kosten te jagen. Door den grond in bruikleen af te staan, en de meubileering van de oude school (3 lokalen ) te gebruiken zou reeds een aanmerkelijke vermindering intreden.

Daardoor komen de getallen nader bij elkaar en krijgen we:

Nieuwe school                 ƒ 65.000.-

Verbouwing oude school ƒ 30.000.-

                                         ------------

                                      ƒ 35.000.-

wat voor de Gemeente een uitgave zal zijn van ƒ 2275.- ´s jaars, waarmee dan ook alle onkosten van het onderwijs voor Saasveld zullen betaald zijn.

Bezwaarlijk zou het voorts wezen, op het genomen besluit terug te komen, zoowel wegens het prestige van den Pastoor, alsook hierom, dat het verkeerd zou zijn, toe te geven aan het drijven van enkelen, die door allerlei nevenbedoelingen geleid worden. *

Met bijzondere hoogachting

Monseigneur!

Van Uwe Doorl. De dr. De Wetering

* Daarenboven heeft de aanbesteding plaats gehad.


Inwijding van de nieuwe school in 1921

Op 12 november kwam deken Van der Waarden uit Almelo de nieuwe school inwijden. De eerste steen was gelegd door Bernard Moekate. De school kreeg de naam ‘St. Bernardusschool’. Dat de voornaam van de pastoor ook Bernardus luidde, was geen toeval. Hij schonk de school een aantal scheepsklokken, waarvan er enkele nog steeds op school aanwezig zijn. De ouders van de pastoor hadden een klokkenzaak in Ootmarsum.

Op 13 december volgde de officiële opening. Aanvankelijk stond het hoofd, meester Nijkamp er alleen voor, omdat er niet meer leerkrachten te krijgen waren. In de loop van 1922 kwam er een onderwijzer bij, de heer Bijen uit Weerselo. Hij bleef tot 1 januari 1933 aan de school verbonden. Naderhand kreeg men ook hulp van anderen o.a. van Ankoné uit Oldenzaal, Huis in ’t Veld uit Steenwijk en Hommels uit Oldenzaal. Allen vertrokken weer na korte tijd. In 1924 toen bij wijziging van de wet het aantal kinderen per onderwijzer op 48 werd gesteld, kwamen er twee onderwijzers bij n.l. Velers uit Ootmarsum en Horsthuis uit Rossum. Meester A. Velers werd in 1928 hoofd van de school.

De school in de twintiger jaren

Verslag van een gesprek in 1987 met een groepje 70-plussers die allen nog op de oude school hadden gezeten en waren meeverhuisd naar de nieuwe, huidige katholieke school: Voor de katechismusles moesten ze lopend van de ‘Oalde School’ naar de kinderles kamer, een gebouwtje rechts voor de kerk. Nu bijna 70 jaar later weet het groepje ‘oudscholieren’ de antwoorden op de catechismusvragen nog feilloos op te zeggen.

Enkele voorbeelden:

Vraag: Wat zijn de hoofdzonden? Antw.: Hoogvaardigheid, nijd, gulzigheid, gramschap en traagheid.
Vraag: Wat zijn vreemde zonden? Antw.: Prijzen, deelnemen, beschermen, behagen, niet beletten, niet bestraffen, niet bekend maken als men daartoe verplicht is.
Vraag: Wat zijn wraakroepende zonden? Antw.: Onkuisheid tegen de natuur, verdrukken van armen, weduwen en wezen, onthouden van rechtvaardig loon aan werklieden.

U als lezer zal het nu wel duidelijk zijn waarom men vroeger veelvuldig ging biechten. Men kon immers vele soorten zonden doen.

Ze schoten weer in de lach bij de herinnering aan de grappige antwoorden zoals:

-Waar is God? “Tuske ’t hoes en ’n potstal”.
-Waartoe zijn wij op aarde? “Um beeste te heun en tuffel te garren”.
-Wie zijn onze naasten? “Kip, Schurink en Holscher”.

Na de verhuizing werd de catechismus op school gegeven. Toen werd ook de altaarwacht ingesteld. De kinderen konden opgeven hoeveel keer in de week ze naar de kerk zouden gaan.

“Ik ben razend”

Uit de verhalen bleek wel dat het hoofd, meester Nijkamp, zeer streng moet zijn geweest. Klonken zijn woorden: “Ik ben razend”, en keek hij daarbij veelbetekenend in zijn rechterhand, dan dook iedereen krom over de bank of in het kastje. Wie zou deze keer de (on-)gelukkige zijn? Er werd toentertijd op school niet zachtzinnig gestraft. In de klas stond een stok die nogal eens werd gebruikt. Was deze stuk, dan moest het slachtoffer zelf een nieuwe uit het bos halen. Sommige deugnieten die veel op hun kerfstok hadden, maakten stiekem een inkeping in de stok.

Kwam men te laat en werd als reden opgegeven:”De klok stun”, dan moest men op de knie voor het bord, terwijl de lei omhoog gehouden moest worden. Zakten de armen dan kwam bovengenoemde stok weer tevoorschijn. Andere straffen waren o.a. nablijven (men probeerde wel stiekem weg te glippen), en strafregels schrijven op de lei. Ook moesten ze soms een tijd lang in het kolenhok zitten. Moest men nodig naar de w.c. (ook van schrik) dan waren de volgende dag de kolen wel wat vochtig.

‘Kwatta’ of een prentje als beloning

Na al die straffen kwam de vraag of er wel eens beloond werd. De heren antwoordden direct: ”Nee, nooit!”. De dames hadden wel eens een stuk ‘kwatta’ of een prentje gehad. Tussen de middag bleven velen op school. ’s Morgens werd van huis het meest noodzakelijke meegegeven: ne bruw (boterham) en nen tukdook (zakdoek).

Lopend op klompen gingen ze naar school, dwars door heide en veld,bijna nooit over de weg. De terugweg duurde vaak langer dan de heenweg, want dan viel er veel te beleven (knokpartijtjes, ijs uitproberen, kattenkwaad uithalen, slootje springen) Wanneer ze daardoor te laat thuis kwamen, waren de ouders kwaad; niet omdat ze ongerust waren, maar omdat er geholpen moest worden bij het werk.

Als spelletjes die men op de speelplaats (Schutten-heugte) speelde herinneren zij zich: hoedje-bal, mesgooien, zakdoek leggen, hoepelen met een oud fietswiel, hinkelen met de voet van een gesneuveld kopje, ploffen met gekauwd papier door een uitgehold stuk vlierhout, kaatsballen en ‘spelen’ met een kattepult en smietleer. Van de spelletjes kwamen we op de vraag of er gymnastiek werd gegeven. Hun antwoord was: ”Oh nee, helemaal niet”. Er werd wel gezongen, o.a. liedjes als Tarabom, Een karretje langs de zandweg reed, Piet Hein en Langs berg en dal.

Aan het schrijven werd veel aandacht besteed. Aan het begin van de schrijfles zong de klas in koor: “Mooi, dun en langzaam”. Lezen was een belangrijk vak. Veel verschillende boeken waren er niet. Als het boek uit was begon men rustig weer voorin. Er werd gelezen uit Ot en Sien, Sim en Sam, Vrolijk Volkje en Lentetijd. Op de vrije woensdagmiddag kregen de meisjes handwerken. Er werden letterlappen geborduurd en katoenen kousen gebreid. De ijzeren naalden zaten elke week weer vastgeroest in de witte katoen. In de beginperiode (Oalde School) kregen de kinderen geen rapport. Later op de Bernardusschool stonden Vlijt en Godsdienstkennis bovenaan. Vertellen (wat tegenwoordig mondeling taalgebruik wordt genoemd) kwam niet op het rapport voor. We kunnen hen er alsnog een cijfer voor geven: een tien met een griffel!

De jaren veertig, de tijd van oorlog en vrede

In de oorlogsjaren was het team van leerkrachten aan school vrij constant. A. Velers was hoofdonderwijzer al sinds 1928. verder stonden er in mijn jaren de dames Van de Nieuwboer, Bebseler en Vonk en de heren Hutten, Ter Laak, Merkx en Ten Tussche aan school. Vanuit de pastorie kwam pastoor Moekate, die ziekelijk was, niet vaak op school. Hij liet de catechese over aan kapelaan Jaarsveld en later aan kapelaan Thielen.

Als de sinterklaastijd naderde schitterden op de schoolborden de prachtige tekeningen van Jan Hutten, een zeer artistiek onderwijzer. Na de zesde december verdwenen de kunstwerken! Jan Hutten trok later naar Rijssen, waar hij aan de toenmalige Mulo les gaf. Honderden oud-leerlingen zullen zich zijn prachtige vertellingen nog goed herinneren. De oorlogsjaren stonden voor de ouderen in het teken van spanning en angst. Voor ons als schoolkinderen was er altijd genoeg te beleven. Was het niet onderweg naar school langs de kampementen van de soldaten dan was het wel het luchtalarm op school: “onder de bank!” en allemaal lag je in korte tijd onder de logge schoolbanken. Het laatste wat je nog snel van de lessenaar greep was je kroontjespen. Dan was je gewapend, het was immers oorlog! Ook wel eens onder de banken!

Waar nu de prachtige ophaalbrug is was in vroegere jaren een slagveld, nou ja, slagveld, maar er werd wel gevochten, bijvoorbeeld tussen de Zoeke en de Noordik: dooien vielen er niet, maar je kwam wel eens thuis met een puist als een duivenei. De oorzaak was meestal een klap met een klomp! De zanglessen werden vaak vervuld door de meest getalenteerde leerkracht. Daarvoor diende het zanglokaal. Dit was een lokaal dat ze, geloof ik nu deftig multifunctioneel zouden noemen. Het was; zanglokaal, overblijflokaal, parochiebibliotheek (er stonden twee kasten met boeken) en repetitieruimte voor het parochiekoor. De meeste kinderen bleven de hele dag op school. Alleen die ‘op Soasel’ woonden gingen tussen de middag naar huis. Iedereen, zeker in de oorlogsjaren, kwam lopend naar school. De grootte van ’n bruggenbuul (boterhamtas) hing op de eerste plaats af van het aantal schoolgaande kinderen in de familie en vervolgens van de eetlust van die kinderen. Aan het eind van de oorlog kregen we bijvoeding, nl. sinaasappels. Je broekzakken puilden uit van de ‘renetke’. Vitaminetabletten werden ook regelmatig verstrekt! De school was voor de vrijheidslievende kinderen van toen - je liep liever langs de houtwallen om vogelnesten te zoeken - een verplichte zaak. Toen aan het einde van de oorlog Duitse en Italiaanse soldaten bezit namen van die ruimte was er bij de kinderen niet veel spijt. Later kwamen de Engelsen het gebouw bezetten. Als noodschool fungeerde die zomer - 1945 - de koeienstal van Volmer (Arkink). Je had twee halve dagen les. De jongens zaten op de plek waar de koeien staan en de banken op ‘’n dam’ waren voor de meisjes en de meester liep er tussen door voor de orde. Als bij Volmer het spek werd gebakken wisten we de tijd van de dag: 12 uur. We konden weer naar huis!

Nu, in 1987, als vijftigplusser vind ik het een bijzonder iets, dat die leerkrachten - met uitzondering van de Heer Merkx die inmiddels is overleden - uit die jaren als 70- of 80- plusser nog in redelijke gezondheid toeven in Oldenzaal, Rijssen, Hengelo, Borne of Tubbergen. Dat geeft een gerust gevoel voor degenen die tussen ’40 en ’50 de Bernardusschool bezochten. We hebben het de leerkrachten wel eens lastig gemaakt, maar hun leven toch niet verzuurd.

Hottenhuis in ‘Basisschool Bernardus Saasveld’, 1987)

Van Lagere school naar Basisschool

Enkele jaren na de oorlog kreeg één van de lokalen van de Bernardusschool de bestemming ‘Bewaarschool’. Hier konden de kleuters naar toe zodra ze zindelijk waren. Zuster Livine was de eerste ‘kleuterleidster’. Het aantal kleuters werd steeds groter en er kwam gebrek aan ruimte omdat ook de lagere school moest uitbreiden. Er werd een nieuwe kleuterschool aangevraagd, maar er kwam geen goedkeuring. Na herhaald verzoek kwam er toestemming om een houten noodgebouw te plaatsen. Daar ging het schoolbestuur niet mee akkoord.

Er werd overlegd met de heer Bruins, hetgeen resulteerde in het inrichten van een kleuterklas bij Bruins. Toen dat de inspectie ter ore kwam werd ‘de klas’ door haar afgekeurd, maar Saasveld kwam daardoor wel op de urgentielijst te staan. De toestemming voor de nieuwbouw kwam spoedig daarna.

De kerk stelde grond beschikbaar naast de Bernardusschool. Door parochianen werd hiervoor geld voorgeschoten. De bouw van de Bernadette kleuterschool kwam tot stand in 1958. Er waren twee lokalen en de school had een grote speelplaats, aan de achterzijde begrensd door het Kerkenbos. In 1987 komen de kleuters weer terug op hun oude honk in de Bernardusschool en is de basisschool een feit. Op 1 augustus 1985 trad n.l. de wet op het basisonderwijs in werking. Lagere- en kleuterschool worden samengevoegd tot één basisschool. Waar het mogelijk is, moeten ook de leerlingen in één gebouw worden ondergebracht.

Twee lokalen in de Bernardusschool die niet permanent werden gebruikt zouden ingericht worden als leslokaal voor de kleuters. Er moest echter ook een speellokaal komen. Daardoor bleven er voor de (oude) klassen 1 t/m 6 maar drie leslokalen en een gemeenschapsruimte over. Om die reden werd er een aanvraag ingediend om de binnenplaats te overkappen, maar hiermee ging het ministerie in Den Haag niet akkoord. Men ging bij het beschikbaar stellen van de gelden alleen af op prognoses van het leerlingenaantal. Ondanks herhaald aandringen van het toenmalige schoolbestuur werd uitbreiding in de vorm van overkapping van de binnenruimte niet toegestaan. Er mocht wel verbouwd worden maar niet uitgebreid. Er werden nieuwe plannen gemaakt. Deze kwamen in april 1986 in een stroomversnelling omdat de kleuterschool op korte termijn diende te worden omgebouwd tot bibliotheek. Nog voor de grote vakantie in 1987 konden de kleuters verhuizen naar de Bernardusschool. De verbouwing vond plaats onder het toeziend oog van het toenmalige hoofd van de school de heer J. Ten Have uit Ulft. Hij volgde de heer A. Velers op in 1967 en was directeur tot 1990.

Hart voor onze school, 1993

De verwachtte snelle groei van het aantal leerlingen bleef niet uit. Ook nu weer, zeven jaar na de vorige verbouwing, is uitbreiding dringend gewenst. Het ministerie geeft deze keer alleen toestemming voor uitbreiding met een noodlokaal en geen permanente uitbreiding. Bestuur, directie en team zien echter grote voordelen van een permanente uitbreiding door overkapping van de binnenplaats boven een noodlokaal. Door medewerking van de gemeente, hulp van veel vrijwilligers bij de bouw, door financiële acties in het dorp en met het geld dat het ministerie toezegt voor een noodlokaal, komt in 1993 de overkapping van de binnenplaats, het ‘hart van de school’ tot stand. Dit alles onder de bezielende leiding van de toenmalige directeur de heer G. Hesselink uit Geesteren. Hij volgde in 1990 de heer ten Have op en was directeur tot 2002.

Enkele jaren later, in 2008, vond er opnieuw, nu een inpandige, verbouwing plaats. Ruimtes werden efficiënter ingedeeld, een ventilatiesysteem aangebracht en de oude radiatoren en verwarmingsketels vernieuwd. Toenmalig directeur Mevr. Elly Roelofs uit Oldenzaal leidde op voortvarende wijze de bouwcommissie. Zij volgde de heer Hesselink op en was directeur van de Bernardusschool van 2002 tot 2009. De huidige directeur is Mevr. M. Oude Voshaar uit Albergen. De school telt momenteel (2011) 184 leerlingen verdeeld over acht groepen.

De oude kleuterschool is inmiddels afgebroken en op die plaats staat het Kulturhus. Ruimtes in het Kulturhus worden o.a. gebruikt als peuterspeelplaats, buitenschoolse opvang, crèche en er zijn twee klaslokalen die door de Bernardusschool worden gebruikt. Aan de buitenkant ziet de Bernardusschool er bijna net zo uit als bij de opening in 1921. Van binnen ziet de school er als nieuw uit en voldoet uitstekend aan de eisen van de tijd. Het is een moderne school met o.a. mooie klaslokalen, vergaderruimte, overblijf/gemeenschapsruimte, speellokaal, kantoor en bergruimte. Voorzien van een goed ventilatiesysteem, modern ingericht met o.a. computers en digitale schoolborden.

De ligging dicht bij de kerk is in de loop van de jaren zeer praktisch gebleken onder meer bij het soms dagelijkse kerkbezoek van de kinderen voor schooltijd (vroeger), de voorbereidingen van de Eerste Communie en het Vormsel, het oefenen van het jeugdkoor na schooltijd en bij het houden van schoolvieringen. Wat dat betreft dus dank aan de vasthoudendheid van pastoor Moekate en de zijnen.

*Informatie komt o.a. uit het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle, boekje Basisschool Bernardus Saasveld 1987, Duizend jaar plaatselijk en driehonderd jaar parochieleven van Saasveld door Dr. G.J.M. Bartelink, en het archief van A. Hottenhuis

Reacties