Verhaal

Annetje Scholten-Steunenberg: mijn oorlogsherinneringen in Volthe en omgeving

Auteur: 
Annetje Scholten-Steunenberg † met dank aan de familie Griep , Hobbelink en Steunenberg

Op 4 april 2019 ontvingen we deze mail: "Via mijn schoonzus Annie (dochter van Santje Hobbelink) kreeg ik dit verhaal. Misschien is dit interessant voor de heemkunde". Jazeker, dit zijn de oorlogsherinneringen die we verzamelen, opdat we niet vergeten. Dit verhaal rond 1991 geschreven door Annetje Scholten-Steunenberg is gericht aan de familie Hobbelink in Volthe. Het woonadres in Oldenzaal was NB 71 aan de Bentheimerstraat naast Café De Boom. Er is contact geweest met Dirk Steunenberg -het jongetje van 4 jaar- en zowel de familie Hobbelink als de familie Steunenberg hebben toestemming gegeven dit verhaal van de inmiddels overleden Annetje te plaatsen. Het verhaal is zo gelijk mogelijk overgetypt, in de bijlage vindt u de originele tekst.

Mijn oorlogsherinneringen in Volthe en omgeving

 

De bedoeling is dat ik mijn verhaal van de onderduiktijd vertel. Ik heb er vele herinneringen aan. Ik ben nu 56 jaar en toen was ik een meisje van 9 jaar. Ons gezin bestond uit vader, moeder, dochter en zoon van 4 jaar. In die tijd gingen de geruchten dat de Ned.Spoorwegen zou gaan staken en omdat mijn vader spoorman was trof dit ons ook.

Maar wat begreep je als meisje van 9 jaar wat staken of onderduiken was. Iedereen sprak van 17 september dan gebeurt het. Want eerst hadden we ook nog dolle dinsdag. Daar waren ook hele verhalen over. Wij woonden in Oldenzaal en dicht bij het station. ’s Middags kwam mijn vader dan thuis en vertelde van wat hij gezien en meegemaakt had. Zo ook die ene keer, toen was hij totaal over zijn toeren. Hij kwam wankelend naar huis toe, wij dachten dat hij dronken was maar dat was dus niet zo. Er was luchtalarm en dan moest iedereen schuilen in de schuilkelder toen kwam er een vrouw met een baby op de arm zij vroeg hem, wil je hem even vasthouden ik kom zo weer terug (zij kwam dus nooit meer terug). En vader stond daar met het kindje in zijn armen wat later bleek niet meer leefde. Dit was met Dolle Dinsdag.

16 september was op een zondag, we werden steeds gewaarschuwd om niet meer thuis te blijven maar weg te gaan. Er was nl werd verteld een vrouw uit Hengelo doodgeschoten. Maar we wisten niet eens waar we naar toe moesten dus we zijn toen ’s nachts naar de buren gegaan waar we sliepen. Mijn moeder en broertje Dirk en ikzelf dus. Mijn vader was al lang weg, waarheen? Wij wisten het niet. Later bleek dat hij op een boerderij zat aan de Denekamperstraat. En daarna naar Losser is gegaan. ’s Morgens om 7 uur stonden we op, Ik kon aan de voorkant van de straat kijken, een beetje heiig was het, en ja hoor daar ging mijn vader langs op de fiets en hij reeds zachtjes en ik maar zwaaien tot ik hem niet meer zag. Voor half negen werden we opgehaald met een rijtuig, we konden haast niets meenemen dan een kinderbedje een koffertje met kleding een poppenwagen met pop en wat we aan hadden. De gordijntjes gingen voor de ramen van het rijtuig we vertrokken maar hadden geen idee waar we heen gebracht werden.

Na half negen (we hoorden dit van anderen) ie er een grote rode Duitse Kruisauto voor de deur gekomen met grijze muizen (Duitse meiden) erbij en met zijn allen hebben ze ons huis zo’n beetje leeggehaald.

De dames hadden de jurken en pakken over de arm en de rest verdween er ook in. De kastenwerden in de tuin in brand gestoken. En het huis werd volgepakt met electrische kacheltjes, kolenkitten, pionierschopjes, schoenen en sigaren. Op zolder lag de boel vol stro en de resten van het serviesgoed, in de bijkeuken stond een grote ton met daarin  leervet voor de laarzen van de heren. Er zat ook iets van levertraan in. Er is later een inbraak geweest door een man die een straat verder woonde, die had een bakfiets volgeladen maar werd gesnapt. En na de bevrijding kwam hij uit het gevang terug en stond voor mijn vader met een geladen pistool. Hij zou wel eens schieten. Papa zei ik heb getuigen genoeg dus doe het maar want ik heb je niet aangegeven, Hij deed het dus maar niet en een paar uur later zat hij weer achter slot en grendel. Dit heeft op mij diepe indruk gemaakt. Nu in 1991 zie je wel eens een film met zoiets. Ik zit werkelijk stijf op mijn stoel, ik kan er nog niet tegen.

Nu ons korte reisje naar het onderduikadres. Achteraf wisten we pas waar we heen gingen. De eerste dag gingen we naar het Everloo. We waren er nog nooit geweest, dus je voelde je er nou niet zo heel erg op je gemak. De fam.palthe woonde er. De heer des huizes deed even met het gebed de pet af en verder hield hij de pet op. Als kind zie je van alles aan een ander en zo ook van deze heer, de pet was in het bezit van een gaatje ergens bovenop en daar stak dan constant een pluk haar door. De vrouw de huizes was ook wel erg aardig maar begreep eigenlijk niet waarom wij daar waren en toen mijn moeder vroeg waar kan ik het bedje van mijn zoon neerzetten ’s middags zei ze: ja even dan want vanavond gaan jullie hier weer weg. Nou dat viel erg tegen want wisten wij veel?                   En ’s avonds werden we weer opgehaald met een rijtuig het was donker en je wist helemaal niet waar je was dus we reden een poosje toen we alweer stopten dus zo ver was het niet. Een klein lichtje en een kleine persoon wat achteraf de oudste mevrouw in huis was, dus voor ons oma Hobbelink. Ze was heel  lief voor ons en geweldig goed. En ik heb haar altijd als echte oma gezien. En erg begaan met ons lot. We waren dus erg moe van die dag 17 september.      Maar owee ’s nachts was het al meteen feest boven ons hoofd. Want wat zag mijn moeder bij een lichtje, ja kleine staartjes ja van muizen, en ze was er toch zo bang voor dus klapte ze maar inde handen. En die beesten bleven om haar niet weg. Dus klapte ze maar eerst in de handen voor het slapen gaan. De volgende morgen was het licht en waren natuurlijk heel nieuwsgierig hoe het er allemaal uit zou zien.

Even dit nog tussendoor er was ons verteld jullie hoeven niet veel mee te nemen want met 14 dagen is de oorlog afgelopen en dan ga je weer naar huis. En wij geloofden dat. De stallen hadden veel leuks te zien want de eerste nacht waren er 19 biggetjes geboren dus dat vonden we geweldig. Een mooi gezicht hoor al die roze hoopjes en als je ze vasthield gilden ze moord en brand. Nu dan gingen we een eindje naar de weg lopen en ja hoor Annetje werd door de haan in haar been gepikt. Niet leuk, maar waar gebeurd. Dus dit was de eerste dag.

Zoals gezegd kwamen we bij de fam.Hobbelink terecht waar we het heel goed hadden. De familie bestond uit Moeder (voor ons  Oma) zoon hendrik en dochter santje. Er waren natuurlijk nog meer mensen zoals Arend (die helaas in overleden) Frans die speelde voor kapper en als er 1 klant op de deel zat met een laken om en er kwam een vreemde aan de deur dan was het gauw wegwezen, Voor ons moeder en Dirk en ik was er ook nog iets anders gebeurd. We waren ondertussen onze naam kwijt, we leefden onder een schuilnaam. Van nu af aan heetten we Nijhuis. Maar als de Duitsers kwamen dan was mijn moeder de vrouw van Hendrik en wij zijn kinderen. En dat leek aardig. Toen we kwamen waren er 10 Duitsers ingekwartierd in de schuur. (Waar jullie nu wonen). Hendrik Marie en de jongelui. De paarden van de Duitsers werden netjes in de wei losgelaten, wat toen allemaal moest. Tegenspraak werd niet geduld. Het kippenhok kreeg vaak bezoek van de Duitsers. Het was eigenlijk een zielig stelletje achteraf. Jonge jongens van ongeveer 17 jaar oud. Op een dag had een van heren een reebok geschoten. En daar kwamen ze heel vrolijk mee binnenstappen of die even gebraden kon worden. Het werd eventjes tegen mijn moeder gezegd of het niks was. Nu eerst werd er geweigerd. Maar mijn moeder ook niet gek zei heel gewoon ik heb geen boter om in te bakken. Dit ging voor een ruil, ieder de helft van de ree voor het braden. Ze wezen omhoog en zeiden nou dan maar een zij spek. Nee dat mag niet van mijn moeder zei mijn moeder. Uiteindelijk had ze bedacht ik ga met de pan rond bij de Duitsers en die doen ze dan vol boter. Dan zien we wel. Zo gezegd zo gedaan. De heren een droge boterham en vet in de pan. Het was best lekker.

De eerste week toen wij bij de fam.H. waren was het ’s nachts wel een drukte van belang er werd n.l. een vaars of jong stiertje geslacht en dat moest snel en geruisloos gebeuren natuurlijk met aan de andere kant de Duitsers. Overdag moest alles netjes in de weck en zout en worst enz.gemaakt worden tot we er misselijk van waren. Maar het lukte prima met zijn allen. Ik weet nog wel dat er een op de uitkijk moest staan om te kijken of er iemand aan kwam.

Er was nog een familielid. Heerom Johannes die keek uit de verte toe en kwam af en toe even kijken of het goed ging. Hij stond ons bij in raad en daad. Zoals: als ze je wat vragen dan ga je maar heel  hard huilen. En hoe bewijs je wie je bent, als je het niet bent. Toen met de identiteitskaart van de Spoorwegen, die hadden we bij ons maar als ze die vonden wat dan. Heeroom Johannes wist wel raad, een touwtje en daaraan de kaart, de piano werd een beetje gesloopt van voren en toen werd het hele geval naar beneden gelaten. Poppetje gezien kastje gaat dicht. Heel handig en verstandig en meer van die dingen. En hij hield veel van moeders want als er mensen bij hem kwamen.

Hij stond als kapelaan in de regio Losser en die hadden honger of onderdak nodig, dan zei hij ga maar naar mijn moeder toe. En op een dag in de winter was her raak. 2 meisjes uit Rotterdam. Ze rammelden van de honger, maar owee de magen waren niet aan de goede kost (melk van de koe enz) gewend. En ja hoor ’s nachts de zaak overstuur. Maar eerst kregen we nog twee hongerkinderen uit Den haag, die waren totaal over de toeren wat het eten betreft. Mijn moeder moest voor ze zorgen. Maar 14 jaar en niet ziendelijk valt niet mee hé. Ze mochten best wat doen stond in de brief die erbij was. (het lijkt wel een pakketje) Dus dacht moeder Jo, misschien is aardappel schillen wel wat voor hun om te doen. En zo geschiedde. Maar wat was het geval. Even naar de deel om wat te doen. Dus ze kwam later terug en de aardappels waren heel netjes geschild. Zo jongens even de schillen naar de koeien brengen dan is dat ook weer klaar. Waar hebben jullie de schillen gelaten? Ze keken elkaar heel verlegen aan. Wat hadden ze nou gedaan. Precies. De schillen hadden ze opgegeten. Ze aten echt alles op wat ze vonden. Ik heb nog een foto van een van de jongen, maar de naam ben ik vergeten. Ze zijn nog een keer op de fiets geweest bij ons in Utrecht, nadat ze bij jullie waren geweest.

Intussen hoorden we nog steeds niets van mijn vader, we wisten niet eens of hij nog leefde. Mijn moeder kon aardig op de naaimachine terecht en zo zat ze dagelijks vaak aan overalla om die weer in elkaar te timmeren. Er werd ook kaas gemaakt door oma. De melk ging in een grote teil en met de hand werd er een soort harp doorgetrokken, eerst ging er stremsel in. Uit een klein flesje. De kaas smaakte heerlijk jong. Ze was ook snel op.Oma was om de dag druk in de weer om boter te maken. Ik zie haar nog staan, schortje voor schaaltje in de linkerhand en met een dikke houten bolle lepel duwen om het vocht eruit te krijgen. De smaak herinner ik mij nog zeer goed. Wijzelf halen wel eens een echt stuk boerenboter. En dat smaakt nog net zo.

En dan elke morgen pannekoek. Dat toverde Oma uit de oven van het fornuis. Heerlijk. Ik lust het nog erg graag. Jullie hadden van die grote pannen, dus ook grote pannekoeken. Ik herinner mij ineens dat wanneer wij aan de pannekoeken zaten in de keuken in de keuken het niet prettig vonden dat er mensen om melk of zo kwamen op de deel. Misschien omdat wij het te goed hadden op dat moment. En brood, ja ik herinner me nog dat Hendrik wel eens naar de molenaar ging om meel te halen. En voor het brood moest het naar de bakker gebracht worden. Het brood van die tijd was best lekker. En dat dat heerlijke roggenbrood met spek erop. Ik weet nog dat om 10 uur ’s morgens dat dat brood op tafel kwam met kommetjes koffie (luk koffie) en dan werd gezellig met elkaar gegeten. ’s Middags warm (vaak hutspot) met spekjes. Voor ons een kommetje water erbij, ik geloof dat mijn moeder er niet tegen kon omdat ze een gevoelige maag had. Maar precies weet ik het niet meer. ’s Avonds kwam bij het brood weer een bakpan op tafel met de overgebleven aardappels of hutspot erin. Oma nam een  zwart mes (weet ik nog), sneed precies zoveel puntjes als personen er waren en dan ieder zijn deel uit de pan.

In de keuken was geen aanrecht maar 2 tafels. Wij zaten met z’n 4en en de rest zat aan de andere tafel. En de afwas werd op de tafel gedaan. Er stond een fornuis heel praktisch voor de kouwe voeten. De klep ging dan naar beneden. De stoelen ervoor en klaas was kees. We hadden natuurlijk geen vermaak zoals t.v. of radio dus werd er door de buurmannen gekaard om centen, ik meen dat men het kruisjassen of schudjassen  noemde, precies weet ik het niet meer. Maar dan zaten Santje en Oma met de benen in de oven van het fornuis.

Dirk was zoals gezegd nog maar net 4 jaar en een parmantig ventje lekker koppie haar maar op een dag toen had hij inwoning en moest het eraf. Dat was was, hij wou helemaal niet eerst maar later moest het echt. Toen is mijn moeder nog met mij samen het een hele donkere dag naar Oldenzaal naar de apotheek geweest die was in de Steenstraat daar werkte een meisje die wij kenden. Ze woonde bij ons aan de weg. Josje heette ze (ze schrok hevig, van ons, omdat zij ons nooit meer geien had). Maar we kregen wat we wilden hebben een of ander poeder DDT noemden ze het voor de inwoning (pietjes welgenaamd). Als je nu denkt wat een gevaarlijk spul het eigenlijk was. Je moest toch wat hé. Ik herinner me ineens dat santje ’s avonds een handje vol nam en dat de keuken inblies. En ’s morgens kon je zo de hele fam.vlieg bij elkaar vegen.

Intussen was het al ongeveer november geworden toen op een avond aan de deur geklopt werd, het was erg donker en de hond blafte erg. Nergens brandde licht. Ik vind het nog altijd knap dat Hendrik niet bang was en naar de deur stapte. Dus toen ook. Even later kwam hij terug: er staat een man aan de deur die zegt persoonlijke voorwerpen te hebben om te bewijzen dat hij de man is van de vrouw die hier is. Een schaartje en een vest van een pak. Dat was alles. De rest was allemaal anders. Maar hoe zag hij eruit. Niet te geloven / een rooie snor (die was niet geverfd) en een bril op(nooit eerder  gezien).

Dus dit was Arend. Na 6 weken. Gelukkig want dat was natuurlijk te gek. Nooit meer iets te horen. Hij had nl. In Losser gezeten bij een familie Jassies. Op een tram-station en was gepromoveerd tot voedselcontroleur. Hij controleerde daar paarden ens en aardappelen. Wij zijn toen een  poosje mee terug gegaan, dat werd zeker geen succes. Angst, honger en heimwee naar de boerderij.

Mijn vader is eerst bij de overburen ondergedoken geweest in Losser bij een kappersgezien. Maar hij werd wel gezocht. Deze familie had zoals gezegd een kapperszaak. Hij vertelde wel eens dat / niet/ ze zo aardig waren. Hij sliep op een kamertje met een raam dat uitkwam bij de dakgoot. Dus als er razzia was dan moest hij uit dat bed door het raam naar buiten in de dakgoot. Het raam ging dicht en maar wachten tot de Duitsers weg waren. Hij heeft wel eens een hele nacht boven in de goot gelegen. En het was dan bitter koud.

Dus we gingen mee naar Losser, een angstige boel. Iedere nacht luchtalarm. Dan kwamen de V1 over precies om 11 uur. We sliepen daar allemaal boven. (het was nl een tramstation, met drie verdiepingen. Eerst ging je naar boven, daar woonde men. Een grote kamer aan de voorkant, 2 kamers voor te slapen. Een grote woonkeuken een grote overloop. En heel raar de trap naar de zolder, die bestond uit 2 ruimtes, was in de hoek van de keuken. Maar omdat het zo’n hoog gebouw was waren er alleen gordijnen in de woonkamer. Dus op zolder was er niets. Dus je keek zo de hemel in, ieder vliegtuig kon je volgen. Ik sliep met de dochter in een 2 persoonsbed midden op de zolder. Als ik er nog aan terugdenk, griezel ik nog van de angst. En het gekke was dat als je naar het toilet moest, je wel de hele weg terug moest, omdat die helemaal beneden was bij de voordeur. Als er wat gebeurde zat je als een rat in de val. Je kon nergens heen. Er was n.l. ook geen deur naar achter.

5 december 1994

Mijn vader speelde toen voor  St.Nicolaas bij de buren aan de overkant. Ikzelf was zwarte piet. Er waren toen ’s avonds nogal wat Sint Nicolazen bij de weg.Ik had een hemdje aan van meelzakjes met stempel stond voor mijn buik. Maar omdat we toen geen zeep meer hadden werd het schoonmaken wel erg moeilijk. Pietjes moest natuurlijk wel zwart zijn en ik was dat toevallig. Zo bleef het roet van de kurk die maakte je zwart boven een vlammetje, lange tijd op mijn hemd zitten. Mijn vader had net als ieder burger een pas of ausweiz om op straat te komen.(XX)

Nog even tussendoor. Er is wel eens gevraagd wie zijn die mensen, dan durfden we even niet op straat.  Ik weet nog wel dat we 1 keer naar de kerk zijn geweest in Losser. In die kerk de Hervormde preekte de toenmalige Ds.Pot, deze kwam nl.uit Oldenzaal. Die dominee kenden we  toevallig omdat de dochter Tineke bij mij in de klas zat. Dus het was eigenlijk heel gevaarlijk. We zijn dus niet meer geweest na die ene keer.

Dus op een dag gingen we samen op pad. (Dit slaat op XX) Hij wist een jas te koop voor mij. (Ik had ook al een broek van de P.P.T. van een postzak aan). Ik vond het vreselijk, zo’n naar ding. Het was bij een winkel met Jugenstil ramen en erg donker en een hele lege etalage en zwart papier ervoor. Dus wij naar binnen en daar werd de koop gedaan voor € 75,-. Toen we buiten kwamen zagen we het al. Er zaten mottegaten in. En nog foeilelijk ook. Met een bontkraag. Bah

Aan het begin van de onderduiktijd woog mijn moeder nog 160 pond maar toen we in Losser kwamen werd ze erg ziek door van alles, eten, angst, niet op straat kunnen. Noem maar op. Op een gegeven moment woog ze nog 119 pond. De dokter moest er aan te pas komen, die raadde aan ga terug waar je vandaan komt. Die mocht ook niets zeggen. Dat was een goeie.Na oud en nieuw werden we met veel angst weer uit Losser gehaald.Hendrik haalde ons op met gevaar voor eigen leven. Het was laat en donker toen we weer op de boerderij aankwamen. Wat waren we blij. Maar na een poosje, moeder knapte weer op, maar ze miste iets, ja hoor de piano. De piano was toen wij gingen onderduiken bij de buren van onze dominee Karsten in Oldenzaal zolang neergezet. En je mocht je natuurlijk daar nergens laten zien. Ze kenden je daar veel te goed.

Intussen was het goed winter geworden. Alles lag dik onder de sneeuw er werd een plan in elkaar gezet. Om de piano bij ons te krijgen. Maar hoe?Iemand had wat bedacht. We gaan met de slee, paard ervoor en dan moet het lukken. En op een mooie dag lekker vriezend weer was het te doen, ik zie ze nog gaan. En na uren wachten, kwamen ze terug met de piano op de slee, ooit zoiets gezien? Wij allemaal dus wel. Prachtig gezicht was dat hè Hendrik? Nou ze kwamen voor de deel en stonden stil. M’n moeder ging voor de piano staan en speelde zo hard ze kon het Wilhelmus. Fantastisch hè. Zo dat was dat. En de pianon werd door sterke mannen even in de mooie kamer gereden en klaar was het. Er is heel wat op gespeeld toen. Hendrik had toen een harmonika en daar werd ook op gespeeld, maar even anders. We legden het ding op tafel en een van ons trok aan de balg. Ging ook goed. Maar dit was veel echter he. Maar het was geen gezellige tocht geweest voor de heren. Mijn vader had ondanks zijn vermomming (pet, bril en snor) toch zijn eigen loopje niet afgeleerd en werd prompt herkent door een verrader die hard achter hem aan begon te lopen. Dur voorop ging het paard (volgens onze Dirk, de Buine en de Jas) en dan de slee met piano en die begon een beetje te glijden wat natuurlijk linke soep werd.

 

Alles is nu zo veranderd in Oldenzaal, ze gingen toen de oude weg naar Rossum. Na verloop van tijd kwam ds. Karsten (hij is allang overleden) ook op de boerderij. De familie bezat 8 kinderen en iedereen had honger. Hij had ook nog evacués uit Den Haag en Scheveningen in huis, dus geen vetpot, met een trekkar achter zich om die te vulen met etenswaren zoals aardappelen en rogge en misschien een litertje melk. Hij bleef dan gezellig eten en dat heeft hij altijd gewaardeerd. Ergens vond ik het niet leuk, omdat we dan niet bij jullie aan tafel zaten, maar in de mooie kamer.

En dan nog iets leuks.

Als het vrijdag was kregen we geen vlees maar daarvan in plaats kregen we plakjes uitgebakken spek bij het eten, en appeltjes of peertjes uit de pot, die had oma geweckt. Jullie kregen dan geen vlees. Maar Hendrik kreeg dan een kommetje met vet met een paar gebakken uitjes erin. Waarom die uitjes heb ik me altijd afgevraagd, dat weet ik niet meer.

Er kwamen ook ’s morgens vaak mensen aan de deur om haver te halen. En die hadden er soms al een hele rit opzitten. Ze kochten dan een blik haver, 1 liter voor 25 c. Die mensen vertelden dan hoe erg het was, Enschede is in die tijd ook erg gebombardeerd. En Hengelo lag helemaal plat. Na de oorlog als we dan mijn oma naar Almelo kwamen en dan met de trein naar Hengelo moesten zagen we hele rijen naaimachines in de open lucht langs de spoorbaan staan. Dat waren vroeger de fabrieken. Wij hebben ook nog een keer een hevig bombardement meegemaakt,Er is toen aan het pad naar jullie toe een kettingbom in het weiland neergekomen. We hebben toen met z’n allen op onze buik op de deel  gelegen. Al het stof kwam door de kieren van de hooizolder naar beneden. En we zagen er niet uit. We dachten werkelijk dat het huis in zou storten.

Razzia’s ook genoeg. Het liefst ’s avonds. Net na het eten. Of tijdens de maaltijd werd er hard geschreeuwd en dan stond er een man of tien met groet knuppels op de deel. Allemaal jongemannen uit de buurt. Met: we zullen ze wel eens. Op een keer kwamen ze ’s nachts niet terug, maar de volgende dag pas. Ze hadden ergens midden in  een weiland een schuilplaats (kelder) gemaakt. ’s Morgens vroeg kwamen de Duitsers er oefeningen bovenop doen.  Een van de jongens was zo benauwd van angst en hij had astma dat hij bijna stikte. Maar ze kwamen gelukkig later weer thuis,

Als zo’n razzia tijdens de maaltijd was en heeroom was er dan moest die het avondgebed doen. En dan zei Hendrik, Johannes ie mut bidden ie kunt vlugger. Ja en dan de botjes van het vlees. Er verdween er natuurlijk wel eens onder de tafel voor de honden. Het waren Fannie en jonge Fannie dacht ik, en dan tijdens het bidden gingen ze erom vechten. En dan zei Hendrik: Arend gooi de honden eruit. We hadden ook geen licht, maar een technische vrind kon daar mee overweg en knutselde mooi  licht. Ik herinner mij dat er ook blauwe lampen waren.

Zondag was een rustige dag en dan ging Oma naar de kerk en dat was een heel gedoe voordat ze alle rokken en mutsen aan had. Ze droeg de traditionele Twentse dracht. Heel mooi. De muts zag ik nog bij jullie, goed bewaren hoor. En ’s middags na het rusten kwam Oma met een vierkante bak im de kamer, die dan van die heerlijke appeltjes bevatte. Gele appeltjes met rode wangetjes , van de eigen boom.

Ik herinner me ook nog dat oma en Hendrik in het voorjaar samen met het wijwaterbakje en palmtak door de velden. Heel mooi.

De katholieke illustratie werd ook goed benut. Eerst gelezen. Een gedeelte was voor de w.c. bestemd en hoe vreemd het ook mag klinken. Als er een kalf ziek was en hij at een stuk krant op dan had hij een bepaalde ziekte. Over de w.c. gesproken, die was op de deel. Erg als je ’s nachts moest je mocht geen licht maken. En dan al die deuren op de deel. Je kwam best eens bij de koeien terecht, maar dat was niet zo erg. Maar op een dag, het was mooi weer, we waren buiten en hoorden een vreselijk lawaai en was al voorjaar. Mijn moeder ging naar binnen en wij er achteraan en wat zagen wij. Onze Dirk was een slim ventje voor zijn 4 jaren, hij stond voor de w.c. en had de grootste lol. Wat had hij nou gedaan. De knip op de buitenkant van de deur gedaan. Er zat natuurlijk wel iemand op, en wel een grote dikke Duitser, Dat was natuurlijk wraak. En die man maar allemaal verwensingen uitroepen. Hij zou die verd....Hollander wel eens even. Dat was een angstig ogenblik voor ons allemaal. Maar het liep gelukkig met een sisser af.

Mijn moeder heeft nog een keer een tocht gemaakt naar ons huis in Oldenzaal. Ze hoorde van mensen dat het zo leeg was en andere spullen erin stonden. Het was n/l/ zo de hele straat was leeggehaald de mensen woonden in andere gedeeltes van de stad omdat er een luchtafweergeschut op de overweg stond. Dus op een dag probeerde ze het maar. Daar aangekomen gaf ze zich uit voor de dienstbode van mevrouw. Ze kwam wat linnengoed halen enzo. Nou dat was allang weg natuurlijk. Alle kasten waren leeg en zelfs verbrand in de tuin. Dus nam ze maar wat mee. Onder andere muziekboeken en er stond een kinderkruiwagen die was van het zoontje van mevrouw en een teil. De spiegel van een van de linnenkasten hangt bij mij in de gang en de teil hangt nog in de schuur. Dat was dus een barre tocht. Ze is ook nog een keer bij haar moeder in Almelo geweest. Ze kwam daar heel verdrietig vandaan. Intussen ging de oorlog maar door en werd het wel voorjaar. Op een dag ik was niet erg lief geweest, stuurde mijn vader me naar buiten. (ik zat (nu jullie woonhuis) aan de achterkant en zag ineens een puntje papier uit de modder steken. Je zag in die tijd nergens op straat of zo papier. Het was er gewoon niet. Volgens mij lag het de vorige dag er nog niet. Dus ging ik het eens van dichtbij bekijken en tot mijn verbazing zag ik dat het, het handschrift was van mijn opa uit Utrecht. Een volgeschreven blad papier zonder envelop.Ik kende het handschrift erg goed. Opa schreef ons iedere 14 dagen een brief naar Oldenzaal en wij schreven altijd trouw terug, maar omdat wij er even niet meer woonden dachten ze natuurlijk waarom krijgen we geen bericht. Maar goed toen ik de brief gelezen had, wat nog erg goed ging. Heb ik hem binnen laten zien aan vader en moeder. (eerst durfde ik het haast niet). Je weet maar nooit hè, ik was uiteindelijk ondeugend geweest. Ik weet nog goed wat er zoal in stond. Oma was er ziek en ze hadden nog voor 2 dagen te eten. Ze lag al heel wat weekjes in bed. Opa ging ’s morgens vroeg om 4 uur bij het abattoir op de Amsterdamsestraatweg (in Utrecht) in de rij staan voor een pannetje soep, bouillon (aftreksel van kluiven en aangelengt met water. Nog een wonder want soms was er ook geen water. Brood was daar ook niet meer.

Nog even over die brief. Wie wist dat wij bij jullie ondergedoken zaten. Dit vraag ik mij nog altijd af. Ik moet er nog altijd aan denken. Nou in ieder geval begon nu de aktie. Er werd naar het Klooster in de kanaalstraat (Utrecht) spek gestuurd, hoe weet ik niet meer. Maar de nonnetjes kwamen bij opa en oma nog net op tijd aan de deur om het te brengen. Deze nonnetjes waren fam.van de mensen waar mijn vader voor de eerste keer ondergedoken was aan de Denekamperstraat, de fam. Siemerink heetten ze. Opa en oma waren vreselijk blij hoorden we later met deze geschenken. De dames hadden het spek onder de rokken. Goeie plaats.

In de oorlog werd er natuurlijk stevig gerookt en pa Streunenberg deed daar natuurlijk ook goed aan mee. Maar er was toen geen goede kwaliteit maar eigen teelt. En het moest ook nog duur betaald worden.

Maar op een dag was het mis, hij moest in bed blijven wegens onkunde,. Iedereen bezocht hem trouw en gaf goede raad. Van : je moet veel melk drinken en haverpap eten. Maar hij wilde maar roken en van ons kreeg hij geen tabak want volgens zeggen had hij nicotine vergiftiging. En maar zeuren en jammeren.Nou ik moest weer komen en hij wist wel waar het te krijgen was die tabak. Ik moest aan Oma een trommeltje vragen om het in te doen. Ik ben toen naar het huis aan de overkant bij die broers gelopen en een plukje tabak gehaald.

Oma vond het altijd zo gezellig met Dirk aan het handje te wandelen, lekker even bij de beesten kijken. Even naar de koeien en varkens en natuurlijk naar de kippen. En dan gingen de eitjes weer mee in de schrot terug. Zoals ook die ene keer. Ze liep met Dirk de schuur in en wat gebeurt er, ja de haan vliegt Dirk aan boven op z’n hoofd en krast hem lelijk in het gezicht. Ja toen was het uit met de haan, of het beest was jaloers of hij vergiste zich. Maar Oma liep regelrecht naar de keuken om een mes te halen en ja hoor als een volleerd slager wierp ze zich op de haan (had ie niet gedacht). Toen verdween hij in de pan. We hebben er toen heerlijk van gegeten met zijn allen. Maar er was gelukkig nog een haan over.

Dirk had ook een goede handelsgeest. Hij ruilde zoals hij zelf zei altijd alles, wat zogenaamde waarde had. Een deurknop voor een groet steen, en later de deurknop voor een schroef of zoiets. (Hij doet het nog hoor). Maar dan in het groot. Hij deed dit bij voorkeur met Frans, dat was zijn groet vriend.Frans had op een dag bij een mand aardappelen uit de kuil halen een nest jonge muizen gevonden, helemaal roze en kaal. Ik zie het nog voor me, van die gladde dingetjes. Dirk vond het prachtig en wou ze meteen hebben en hij kreeg ze ook nog. Hij ging zelfs zo ver dat hij ze mee nam naar de slaapkamer, een handje hooi in een ijzeren sigaren-doosje en daar lagen ze in, onder het bed. Maar oma vond het zeker te gek worden en voerde ze aan de katten. Ja zo ging het dan.’s Nachts werd het ook veel drukker. Mijn vader ging dan met een paar mannen naar de droppings. Dan gingen wij kijken in de deur van de mooie kamer dan was het net vuurwerk in de lucht. Wij hoorden dan de vliegtuigen in de lucht, dan zag je ineens net vuurwerk maar het had een beetje dde vorm van een kerstboom.

De Duitsers die eerst bij de boerderij ingekwartierd waren waren al weer een tijdje weg, maar er werden weer nieuwen neergezet. Er was een aardige man bij. Hij praatte met mijn vader en tot onze verbazing zaten ze samen naar de nieuwsdienst (Radio Oranje) te luisteren. Hij liet ook de foto van zijn vrouw en kinderen zien. En hij kwam op een grote motor, Hij droeg ook nog een stofbril wie we hier niet kenden. Ik hoor het hem nog zeggen “Als ik hier wegga, dan duurt het nog 14 dagen dan is de oorlog over”. Dat gebeurde echt. Niet te geloven.

1 april 1945, ’s morgens hoorden we in de verte lawaai. Kanonnen schoten en iedereen werd onrustig. Dat duurde de hele middag en we hebben ’s avonds na het eten, het was  Pasen, we hadden eieren gegeten en we strooiden de eierschillen weer voor de kippen, nog een tijdje buiten staan luisteren. Het geluid werd steeds sterker en kwam dichterbij. ’s Nachts hebben we goed geslapen maar waren wel  weer vroeg op. Om een uur of 7 kwam er een vrouw die melk kwam halen de deel op die had oranje op. Mijn moeder vroeg ernaar. Het was een heel lakoniek antwoord, wij zijn bevrijd. Daarna was iedereen druk doende. Mijn vader vooral die stond in een ogenblik voor de spiegel op de deel om zich te scheren. Maar er was al meteen protest van Oma, die wou Pa tegenhouden zijn snor af te scheren, maar het ging door. Het was n.l. zo, in een overmoedige bui had hij gezegd, ik ga ermee naar mijn moeder in Utrecht. Hij durfde zich uiteindelijk zo niet te vertonen. Hij was ook zo verdwenen naar Oldenzaal. Wij gingen later. Het werd een drukke dag. Mijn pa werd commandant van de B.S. in Twente en de N.O.Polder, dus die zagen we in het begin maar weinig.

Eerst nog even dit. De Haagse jongens (hongerkinderen) waren nog steeds bij ons op de boerderij. Dus toe wij zo blij met de bevrijding waren, bedachten we opeens weer dat we onze eigen naam konden gebruiken. Dus we zeiden: Zo nu heten we weer Steunenberg in plaats van Nijhuis, dit was dus niet waar volgens de heren, en het bewijs hing in de piano die tevoorschijn  werd gehaald. Op weg naar Oldenzaal werd er knap geschoten, we moesten nog een tijd schuilen onder de tunnel. (de weg naar Weerselo, meen ik) Dit is nu erg verandert heb ik ontdekt.

In Oldenzaal aangekomen was het verschrikkelijk druk. Overal militairen in uniformen. Op de markt aangekomen was het dringen. Onze buren logeerden zolang bij de bakker Deeterman (dit was een broer van onze buurvrouw). Wij gingen er naar toe maar konden haast niet naar binnen. In het portiek zaten de Engelsen op een primus eitjes te bakken en theewater te koken. Het was daar de zoete inval wij stonden boven te kijken hoe alles beneden verliep. Er werden heel wat simpatisanten van de Duitsers opgebracht o.a. de bekende “Schöne Hanna”, deze vrouw had grote herdershonden en geregeld Duitsers in huis. De Duitsers hadden daar serviezen van de Joden in huis neergezet werd verteld. Ik vergeet nooit wat ze aanhad een knalgroene trui en een grijze rok. Het haar had ze op Duitse manier gevlochten om haar hoofd. De mensen waren zo nijdig dat ze met een paraplu op haar hoofd kreeg.

Wij hebben ’s nachts daar op de grond geslapen. ’s Morgens gingen we bij ons huis aan de Bentheimerstraat kijken wat er nog over was. Verschrikkelijk wat een troep. Er moest eerst wel wat schoongemaakt worden. Ze hadden het huis als opslagruimte gebruikt voor allerlei Duitse spullen. De zolder was bedekt met een hele laag stro met daaronder allerlei serviesgoed. We hebben verder maar niet gekeken en zijn toen weer naar de boerderij gewandeld het was ondertussen al knap donker. (2 april). Nog geen verlichting dus dat werd zoeken. We waren al aardig onderweg maar durfden niet verder en zijn toen langs de weg teruggegaan een stukje en toen kwamen we bij Klompenjan aan en die heeft ond de weg gewezen. Onderweg kwamen we in donker nog allerlei figuren tegen. Ook met geweer. Heel griezelig. We waren echt heel bang.

We zijn de volgende dag weer op pad gegaan om ons huis te gaan schoonmaken. Na een paar dagen hoorden we dat onze meubelen bij andere mensen aan de andere kant van Oldenzaal stonden. Je kreeg van de schade-enquete-commissie een soort spaarbankboekje waarop een bedrag wat alles waard was.

Iedere keer als je wat kocht werd het afgeschreven. Maar echt alles terug hebben we nooit gehad. De planten van 9 maanden geleden stonden helemaal verdroogd voor de serre-ramen. De schoteltjes hebben we met veel moeite weer schoongekregen. En daar aten we het eten vanaf. Dus je at wel 4 scholteltjes en dan was je voldaan. Er ius enorm hard gewerkt door iedereen. Iedereen hielp elkaar geweldig was dat. De mensen konden ineens weer van alles. Ze kwamen in de straat wonen weer. Want iedereen had tijdelijk ergens anders gezeten.

6 april 1945, dit is de trouwdag van pa ne moe, gng pa ’s morgens bij zijn vriend Grönefeld de goudsmid aan voor een gesprekje. Hij kwam s[prakeloos thuis over de markt. We zagen hem aankomen, grote pakken onder zijn arm met oranje papier erom heen. Hij zei niets maar wees aldoor ernaar. Dus dan maar uitgepakt. Wat zat erin: een zilveren cassette. Dat was voor de eerste onderduiker die bij in de winkel komt, vertelde hij later. Dus dit werd wel een hele bijzondere dag.

6 april zouden ’s avonds militairen op de koffie komen. Mijn moeder had alles klaar staan maar het ging om een of andere reden niet door. Mijn vader schoor zijn baard ’s avonds voor de spiegel in de voorkamer beneden, Toen dat klaar was gingen ze maar naar bed. Ze lagen nog maar net in bed, kwam er een vliegtuig heel laag overvliegen. Die gooide een laatste bom aan de overkant van de straat. Er was bij ons in de straat een kampement van militairen daar was het voor bedoeld. Maar het gebeurde net bij ons. De kapitein werd gedood en enkele gewonden, waaronder onze Dirk die kreeg een flinke snee in zijn voet. Dus we waren weer bij af. De deuren in elkaar, ons laatste serviesgoed wat op tafel stond kapot, de tafels in elkaar, 46 ruiten stuk. De voorkant boven van de loggia weggeslagen. Dit hadden we ons zeker niet voorgesteld  nadat we bevrijd waren. Maar we waren verder nog allemaal heel en bij elkaar en dat is ook veel waard

Dit herinner ik mij nog van onze Dirk. ’s Avonds werd bj het avondgebed altijd gebeden voor de gevangen en doden en verdrukten van de oorlog. Dit kwam van het bidprentje. Maat het werd wel eens in de haast vergeten en de deur stond open naar de slaapkamer toe. En dan kwam er een klein stemmetje: Hennik ie mut nog did’n van het bidplaatje. Dit ben ik nooit vergeten.

Het klonk zo echt. Hij was toen net 4 jaar.

 Annetje Scholten-Steunenberg †

Opgesteld rond 1991

 

 

Reacties